Teisho tweede plaatje: sporen van de os

Het gedicht

Langs de rivier, diep in het bos,
vind je de sporen;
De geurige grassen achter je latend,
bestudeer je de subtiele tekens.
De sporen, plotseling zo helder als de verre hemel,
leiden je de eindeloze bergen in.
Er is geen plek waar je ook maar iets kunt verstoppen.



Het eerste plaatje ‘de os is zoek’ toont een wanhopge mens die het centrale punt in zijn leven kwijt is, die van geen hout pijlen meer kan maken. Radeloos rent hij alle richtingen uit. Moet ik van job veranderen, een nieuwe vrouw nemen, een hond kopen of een moto of een minnares nemen… Het aantal strategieën waarmee wij het lijden tegemoet treden is eindeloos.
Veel van de hedendaagse psychotherapeutische en zelfs medicale industrie lijkt erop gebrand om alle lijden weg te nemen, om komaf te maken met het lijden in tenminste zijn belangrijkste deelaspecten: ziekte en gezondheid, psychisch welbevinden, geluk …
Maar wat als de te volgen marsrichting nu eens precies andersom lag? Niet wég van het lijden, niet naar een hypothetische beëindiging van het lijden maar wel een benadering die het lijden omarmt, die de fundamentele onzekerheid van het leven omarmt en op zijn minst oog heeft voor de alomtegenwoordigheid van dat lijden, zo al niet in het eigen leven maar in het leven van zoveel wezens om ons heen.

Dat is alleszins de achtergrond van Boeddha’s eerste nobele waarheid die zowel het bestaan van het lijden erkent en als vertrekpunt neemt van een levenslange zoektocht die culmineert in de bevestiging dat het einde een oorzaak heeft maar ook een einde en die daarvoor een heldere reeks instructies aanreikt, het achtvoudige pad.

Vanuit het oogpunt van innerlijke waarheid kunnen beproevende tijden heel belangrijk zijn, een onvermoede bron van kracht en inzicht. Soms is alles wat we kunnen doen dit lijden uit te houden en te betrouwen op het donkere licht dat daarin sowieso verborgen ligt. Want ook lijden herbergt het licht in zijn diepe plooien, herbergt de zaadjes die mits de juiste zorg en aandacht tot wasdom kunnen komen.

Ik citeer daarbij graag een van de vele volkse verhalen over de Sjechina, het vrouwelijke aangezicht van God. Er wordt verteld dat God bij de schepping van de mensen zijn inwoning bij de mensen genomen heeft en die wordt verbeeld met het vrouwelijke aangezicht van de schepping. Maar de mensen maken er een ongelooflijke knoeiboel van, staan elkaar naar het leven, beschimpen God, misbruiken hun vrije wil en noem maar op.
Een vertoornde God besluit Zijn inwoning bij de mensen te beëindigen en de Sjechina terug bij Zich te roepen. Daartoe stuurt hij een regiment engelen die de Sjechina, verbeeld als een schotel van heilig vuur, terug naar de hemel zullen brengen. Maar uiteraard zijn niet alle engelen even sterk of snel. En dus begint de schaal met heilig vuur gevaarlijk te kantelen en het vuur spat langs alle kanten over de randen. En alle schepselen en de hele aarde, alle levende wezens en alle mensen maar ook alles wat des mensen is, dus ook het lijden, storten zich op deze vonken van heilig goddelijk vuur, drinken ze gulzig in en bergen ze diep binnenin. Soms verbergen ze soms zo diep in zichzelf dat ze zelfs het bestaan ervan niets meer herinneren. Maar het vuur is er, het licht is er, geduldig wachtend tot het bevrijd zal worden. God heeft een eewigheid de tijd. Maar datzelfde heilige vuur zit dus ook tot in het lijden. Het te bevrijden is onze taak. Of zoals een bekende uitdrukking het zegt: opgesloten in een holle bamboe buis hervindt de slang haar ware aard.

In een van de magistrale Duinischer Elegieën schrijft de dichter Rainer Maria Rilke met grote innigheid en waardering over het lijden. Opmerkelijk wel is dat hij naderhand deze passage schrapte en verving door een minder goede versie die wel dezelfde teneur behield:

Hoe dierbaar zul je me dan zijn, jullie nachten van angst.
Waarom heb ik niet dieper geknield om jullie te aanvaarden, ontroostbare zusters,
En me over te geven, mezelf te verliezen in jullie losgemaakte haar?
Hoe we onze uren van pijn verspillen,
Hoe we ver voorbij deze ontroostbare zusters kijken in de bittere bestendigheid
Om te zien of ze een einde hebben.
Hoewel het echt seizoenen van ons zijn,
Ons winters gebladerte, vijvers, weiden, ons ingeboren landschap,
Waar vogels en rietdieren zich thuis voelen.


Het lijden is niet iets om licht overheen te gaan. Het hoort ook tot de tienduizend dingen die ons weerloos tegemoet treden. Hoort u daar een zenadept beweren dat alle lijden optioneel is, dan mag u die met het grootste wantrouwen bejegenen. Merk je immers op hoe ook in de barre woestijn van ons hopeloze zoeken al sporen aanwezig zijn, zoals het in dat eerste plaatje al luidde: ‘and in the evening he heard cicadas sing in the trees’. De wanhoop van het zoeken is het zekerste teken dat zich hier, mits wij onze uren van pijn niet verspillen, een weg opent, dat er sporen zijn. Hisamatsu, de man met wiens Gelofte aan de Mensheid wij elke meditatie beëindigen, had een zeer hoge opvatting van dit lijden. In wat ongetwijfeld tot de belangrijkste teksten van deze zenmeester en filosoof horen, verklaart hij:

Het Niets op de bodem van ons bestaan moet worden opgevat als het diepste lijden van ieder van ons. Iemand die zegt, dat de bodemloosheid van het nihilisme hem of haar niet raakt, weet niet wat echt nihilisme is. Het is de wortel en de bron van lijden, van een lijden dat kwalitatief anders is dan alle andere vormen van lijden. Het is niet de som van alle vormen van smart en lijden. Het is één geheel, totaal en ondeelbaar. En het gaat hier niet om iemand anders die er aan lijdt. Ik ben het, ikzelf, die lijdt. Niemand anders kan hieraan in mijn plaats lijden. We kunnen in onze wereld veel vormen van lijden aan, omdat we daarbij iets voor anderen kunnen doen. Maar dit totale lijden kunnen we alleen maar zelf onder ogen zien. Niemand kan het voor mij oplossen. We worden in dit lijden ondergedompeld. We zaten er altijd al in: het is onze feitelijke staat van mens- zijn.

Voor Hisamatsu kan de fundamentele bron van onze angst nooit geëlimineerd worden. De enige mogelijkheid is deze crisis in haar totaliteit te overstijgen.

Het Niets op de bodem van ons bestaan, dat dient te worden opgevat als het diepste lijden van ieder van ons. We delen dit lijden met de gehele mensheid en er is geen enkele schuilplaats want we zijn ten diepste alleen en eenzaam in de vragen van ons bestaan. Precies dit niets, aldus Hisamatsu, onthult onontkoombaar de bodemloosheid van mijn naakte menselijke bestaan. We sterven aan onszelf. Dat wordt bedoeld met ‘doodstrijd, persoonlijk en maatschappelijk’. In tijden van crisis, bij een groot verlies, de dood van een geliefde, ernstige ziekte, of de confrontatie met groot maatschappelijk of politiek onrecht, nationaal of internationaal, breekt ons hart. Ieder mens komt op enig moment in het leven op een punt uit van totale ontreddering.

We kunnen ervoor weglopen of het recht in de ogen zien. Enkel als diep inzicht in dit totale lijden van onszelf én de mensheid tot ons doordringt, is transformatie mogelijk en gaat het stromen, want ‘een gebroken hart is een open hart’ (Bernie Glassman). De Gelofte aan de Mensheid wordt levende werkelijkheid. We zijn in staat waarachtig te leven, open en ontvankelijk voor de noden van onszelf en de wereld.


Hisamatsu die een hekel had aan het geïnstutionaliseerde zen-establishment met zijn drukdoenerij, zijn curriculum aan koans enz. resumeerde die gigantische brok uiteindelijk bevrijdende twijfel in zijn bekende koan ‘wat ga je doen als je niets kunt doen, als alles wat je doet tot mislukken is gedoemd, wat doe je dan?’ Misschien ontdek je dan wel wat de joodse leraar Philo van Alexandrië die grofweg in de tijd van Jezus leefde, zei: "Wanneer een rechtvaardig persoon op zoek gaat naar de aard van alle dingen, wordt een bewonderenswaardige ontdekking gedaan. Alles is Gods genade. Elk wezen in de wereld en de wereld zelf manifesteert de zegen en de vrijgevigheid van God."

Alles manifesteert deze zegen en de genade. Vandaar de sporen waarvan sprake in dit tweede plaatje. Alles toont de onbegrensde vrijgevigheid van God maar je moet het wel zien, je moet het fluisterstille lied vande genade wel horen. De sporen staken ook al in het eerste plaatje maar
de mens die ze had kunnen opmerken, had het te druk met zichzelf, met zijn wanhoop, met zijn verhalen. De genade is altijd, genade om niets gegeven maar niemand die het hoort. Geen mooier getuigenis hiervan dan de christelijke hymne Amazing Grace, van de Engelse pastor John Newton (1725 - 1807), een slavenhandelaar die zich na een hevige storm op zee, bekeerde en later actief was als zielszorger op het Engelse platteland.

A
mazing Grace

Amazing grace! how sweet the sound,
That saved a wretch; like me!
I once was lost, but now am found,
Was blind, but now I see.

’Twas grace that taught my heart to fear,
And grace my fears relieved;
How precious did that grace appear
The hour I first believed!

The Lord hath promised good to me,
His word my hope secures;
He will my shield and portion be
As long as life endures.

When we’ve been there ten thousand years,
Bright shining as the sun,
We’ve no less days to sing God’s praise
Than when we first begun.



Aandacht

In het tweede plaatje merkt de jongen wel degelijk sporen op. Wat is er veranderd? Wat maakt het verschil? Aandacht, aanwezigheid, werkelijke aanwezigheid als al het lawaai van het denken ‘Waartoe? Waarom ik? Waarom tout court?’ voor even het voorplan ontruimt waardoor de stille, woordenloze getuigenissen van de achtergrond hun fluisterstille verhaal kunnen vertellen.

Misschien dat een chassidische volksvertelling kan vertellen wat er gebeurt als aandacht zich manifesteert. In de Chassidische traditie, een joods-mystieke richting uit de 18de eeuw, kent men de metafoor van de Lamed Vavnik of de 36 “verborgen rechtvaardigen” die er zijn in elke generartie en van wier onopvallende leven in het verborgene het voortbestaan van de wereld afhangt . God, zo gaat het verhaal, heeft toegezegd de wereld van de definitieve vernietiging te zullen sparen zolang 36 rechtvaardigen onder de mensen wonen. Deze rechtvaardigen hebben geen maatschappelijke status; het zijn boeren, houtskoolbranders, smeden, kosters. Zelden of nooit vind je ze onder de machtigen van de aarde. Zij hebben ook niet speciaal uiterlijke kenmerken waaraan hun buren hen zouden herkennen. Hun bestaan en hun aantal zijn bekend aan God en dat volstaat.

Zekere dag voelt een van de rechtvaardigen dat zijn einde nadert en hij roept zijn kleinzoon bij zich met de mededeling dat deze de volgende rechtvaardige zal zijn. De jongen is ontsteld. Radeloos zoekt hij wat hij moet doen om een rechtvaardige te zijn: ascese, studie van de geschriften, de levensverhalen van de oude rebbes,… Grootvader ziet het aan maar zegt niets. Maar de jongen is uiteraard nog maar een kind en zekere zomeravond speelt hij op de binnenplaats van de ouderlijke smidse. Hij vangt een bromvlieg en brengt zijn gesloten vuistje naar zijn oor om te luisteren naar het gonzen van de vlieg. Op het moment dat hij die wanhoop, dat verlangen naar vrijheid van elk wezen, tot en met de kleinste vlieg toe, hoort, écht ‘hoort’, wordt hij op slag een rechtvaardige. Het heilige aantal is weer compleet en de wereld blijft nog even gespaard van de vernietiging. Zo ver reikt dit horen, zo ver strekt de verantwoordelijkheid van elk wezen.

Aandacht is het centrale punt. Keer op keer komt de aandacht als centrale focus van de beoefening zoals blijkt uit volgend verhaaltje. Zekere dag vroeg een leerling aan zijn zenmeester: Meester kunt u alstublieft een paar grondregels opschrijven over hoe ik de hoogste wijsheid zou kunnen bereiken?’ De meester pakte zijn penseel en schreef: ‘Aandacht’. ‘Is dat alles,’ vroeg de leerling? Hij kon niet geloven dat het zoiets simpel zou zijn en drong aan: ‘Kunt u er niet nog iets bijschrijven?’ Waarop de zenmeester zijn aanbeveling een tweede keer opschreef: ‘Aandacht, aandacht’. De leerling, nu echt wel ongeduldig/geïrriteerd geworden met de objectieve simpelheid van de aanbeveling, zei: ‘ik zie echt niets wereldschokkend of diep in wat u hebt opgeschreven’, waarop de zenmeester, allerminst aangedaan door de irritatie van de jonge leerling, drie keer hetzelfde woord opschreef: Aandacht, aandacht, aandacht’! Helemaal van de kaart drong de leerling een laatste keer aan: ‘Wat betekent dat woord nou?’ Waarop de meester zachtjes antwoordde: Aandacht betekent aandacht’.

Mindfulness

Aandacht is ook de expliciete inzet van mindfulness, dat tegenwoordig zo een centrale plaats is gaan innemen in psychische (zelf-)zorg. Het therapeutisch bedrijf Mindler dat een aantal psychologen groepeert, beschrijf mindfulness als volgt: ‘mindfulness is het bewust opmerkzaam zijn van je gedachten, gevoelens, lichamelijke sensaties en de fysieke omgeving waarin je je op het moment bevindt. Door oefeningen te doen leer je je te concentreren op het hier-en-nu. Wat voel je op dit moment, wat denk je op dit moment? Hierbij vel je geen oordeel over die gedachten en gevoelens, maar je laat ze de revue passeren als een gebeurtenis op het witte doek. Door je bewust te zijn van deze gevoelens en gedachten kun je patronen leren herkennen. Dit kan je helpen om later op een andere manier op bepaalde gebeurtenissen te reageren.’ Sleutelwoorden zijn onbevooroordeelde aandacht en hier-en-nu.

De Amerikaanse zenmeester Jan Chozen Bays hanteert in haar boek ‘How to Train a Wild Elephant & Other Adventures in Mindfulness’ (een absolute aanrader, GM) de volgende definitie: ‘Mindfulness is bewust volledige aandacht schenken aan wat er om je heen en in je gebeurt - in je lichaam, hart en geest. Mindfulness is bewustzijn zonder kritiek of oordeel.’

Onze moderne levensstijl wordt sowieso gekenmerkt door een veralgemeend en chronisch aandachtsdeficit. Elke leraar weet dat de aandachtsspanne van zijn leerlingen alsmaar korter wordt en helaas is het met de volwassenen nauwelijks beter gesteld. De sociale media met hun snelle consumptie van losstaande verhalen en kortstondige anecdotes maken dat de blijvende aandacht die zich eenpuntig kan concentreren een utopie geworden is. Zou er nog iemand zijn die enkele weken uittrekt om de Gebroeders Karamazow van Dostojevski te lezen? Of zouden we al tevreden zijn met een makkelijk te behappen en verhappen samenvatting door Chat GTP?

Maar laten we niet alle zonden Israëls laden op moderne media en mediaconsumptie. Veel heeft ook te maken met economie van handelen. Als je bij elke autorit even beredeneerd, even meticuleus en oplettend zou moeten rijden als tijdens je rij-examen van enkele decennia geleden kwam je nergens. Naarmate we meer ervaring met autorijden hebben, rijden we steeds meer op autoamtische piloot en dat is een goede zaak. Maar er is ook een levensgroot gevaar: met het inplooien van bijv. werk in een automatische piloot, plooien we ook de zingeving, de persoonlijke expressie en zelfs het geluk naar binnen om ze daar te verliezen. Een nieuwe auto kan ons kortstondig dat gevoel teruggeven maar binnen de kortste keren verwordt dat weer tot een mechanische, monotone en dus vreugdeloze sleur. Symptoombestrijding brengt tijdelijke verlichting maar geen genezing. Aandacht hebben breekt die inplooiing open waardoor de vreugde en, jawel, de genade – van het moment, van hier-en-nu, van jou en mij, …- weer kunnen gaan stromen. Op deze piekmomenten van volledige aandacht voelen wij ons volledig wakker en staat de werkelijkheid helder en sprankelend van leven om ons heen.

Jan Chozen Bays bezweert ons deze momenten niet te onderschatten: “Het kan gebeuren tijdens een gewone wandeling, als we een hoek omslaan en alles is, voor een moment, stralend. Wat we piekmomenten noemen, zijn tijden waarop we volledig bewust zijn. Ons leven en ons bewustzijn zijn ongedeeld, één. Op deze momenten sluit de kloof tussen ons en al het andere zich en verdwijnt het lijden. We voelen ons tevreden. Eigenlijk zijn we voorbij tevredenheid en ontevredenheid. We zijn aanwezig. We zijn Aanwezigheid. We krijgen een verleidelijke voorproef van wat boeddhisten het verlichte leven noemen. Deze momenten vervagen onvermijdelijk, en daar zijn we weer, gescheiden van de eravring en daar bepaald chagrijnig om. We kunnen piekmomenten of verlichting niet afdwingen.

De instrumenten van mindfulness kunnen ons echter helpen de kloven te dichten die ons ongelukkig maken. Mindfulness verenigt ons lichaam, hart en geest, en brengt ze samen in gerichte aandacht. Wanneer we zo verenigd zijn, wordt de barrière tussen "ik" en "al het andere" steeds dunner en dunner totdat deze, in een moment, verdwijnt! Voor een tijdje, vaak een kort moment of soms een leven lang, is alles heel, alles is heilig, en in vrede.

De dichter Pessoa vertolkte het bij monde van zijn pseudoniem Alberto Cairo zo in zijn gedicht met de titel ‘Mijn blik is zuiver als een zonnebloem’:

Mijn blik is zuiver als een zonnebloem.
Ik ben gewoon langs de wegen te lopen
Al kijkend naar rechts en naar links
En nu en dan ook achterom...
En wat ik zie op elk moment
Is dat wat ik nooit eerder had gezien,
En ik weet dit heel goed op te merken...
Ik kan die verbazing in mij hebben
Die een kind zou hebben dat, bij de geboorte,
Zou beseffen dat het echt geboren was...
Mijn hart ik voel mij elk moment geboren
Voor het eeuwig nieuwe van de wereld...

Ik geloof in de wereld zoals in een madeliefje,
Omdat ik haar zie. Maar ik denk er niet aan
Want denken, dat is niet begrijpen...
De wereld is niet gemaakt opdat wij erover zouden denken
(denken betekent een oogziekte hebben)
Maar om ernaar te kijken en het ermee eens te zijn.

Ik heb geen filosofie: ik heb zintuigen...
Als ik al spreek van de natuur, dan niet omdat ik weet wat zij is,
Maar omdat ik haar liefheb, en daarom juist heb ik haar lief,
Want wie liefheeft weet nooit wat hij liefheeft
Noch waarom hij liefheeft, noch wat liefde is...
Liefhebben is de eeuwige onschuld,
En de enige onschuld is niet denken...


Alberto Caeiro, in "O Guardador de Rebanhos - Poema I"

Ik zal het hier niet verder hebben over mindfulness als een voortdurende training in aandacht die tegelijk ook een training in aanwezigheid en intimiteit is – met de dingen, met de anderen, met jezelf als open, onbegrensde leegte … - Daarvoor kan ik het boek van Bays met zijn hele praktische oefeningen niet voldoende aanbevelen.

Wel wil haar tot slot citeren als ze het heeft over de rol die mindfulness kan spelen in de ondersteuning van een spiritueel leven. Ik citeer:

“Mindfulness-hulpmiddelen zijn een uitnodiging om aandacht te schenken aan de vele kleine activiteiten van het leven. Ze zijn vooral nuttig voor mensen die een spiritueel leven willen voeden te midden van alle afleidingen van het moderne leven. Zenmeester Suzuki Roshi zei: "Zen is niet een soort opwinding, maar concentratie op onze gebruikelijke dagelijkse routine." Mindfulness-beoefening brengt ons bewustzijn terug naar dit lichaam, deze tijd, deze plaats. Dit is precies waar we kunnen worden aangeraakt door de eeuwige aanwezigheid die we het Goddelijke noemen. Wanneer we mindful zijn, waarderen we elk moment van het specifieke leven dat ons is gegeven. Mindfulness is een manier om onze dankbaarheid uit te drukken voor een geschenk dat we nooit kunnen terugbetalen. Mindfulness kan een constant gebed van dankbaarheid worden.
Christelijke mystici spreken van een "leven van ononderbroken gebed." Wat zou dit kunnen betekenen? Hoe zou het mogelijk kunnen zijn wanneer we worden meegevoerd in het snelle verkeer van het moderne leven, voortdurend bochten afsnijdend, zonder genoeg tijd om met onze eigen familie te praten, laat staan met God? Het echte gebed is geen smeekbede, het is luisteren. Diep luisteren. Wanneer we diep luisteren, ontdekken we dat zelfs het "geluid" van onze eigen gedachten storend is, zelfs irritant. Als we gedachten loslaten, betreden we een diepere innerlijke stilte en ontvankelijkheid. Als deze open stilte kan worden vastgehouden in onze kern, als onze kern, dan zijn we niet langer verward door te proberen te sorteren en te kiezen tussen onze talloze concurrerende innerlijke stemmen.
Onze aandacht wordt niet langer gevangen in de emotionele verwikkelingen van binnenuit. Ze is naar buiten gericht. We zoeken naar het Goddelijke in alle verschijningen, luisteren naar het Goddelijke in alle geluiden, worden aangeraakt door het Goddelijke in alle aanrakingen. Als dingen naar ons toe komen, reageren we gepast, en keren dan terug om te rusten in innerlijke stilte. Dit is een leven geleefd in geloof, geloof in de Ene Geest, een leven van ononderbroken gebed. Wanneer we één routinematige activiteit doordringen met mindfulness, dan nog een en nog een, worden we wakker voor het mysterie van elk moment, onkenbaar tot het zich voordoet. Als dingen naar voren komen, zijn we klaar om te ontvangen en te reageren. We zijn ontvankelijk voor wat ons moment voor moment wordt gegeven door de Grote Aanwezigheid. Het zijn eenvoudige geschenken, warmte die zich verspreidt door onze handen als we een kop thee vasthouden, duizenden kleine liefkozingen als kleding onze huid raakt, de complexe muziek van regendruppels, nog een ademhaling. Wanneer we in staat zijn om volledige aandacht te schenken aan de levende waarheid van elk moment, betreden we de poort naar een leven van ononderbroken gebed.’ Einde citaat.