Teisho eerste plaatje: de os is zoek

Het gedicht

Met kracht je een pad hakkend door de braamstruiken,
zoek je naar de os;
Brede rivieren, eeuwige bergen, het pad lijkt eindeloos.
Je krachten nemen af, je geest raakt uitgeput maar je kan hem niet vinden.
Er is alleen het zachte geritsel van esdoornbladeren,
en het avondlied van de krekels.




Het eerste plaatje is meteen een entrée en matière die kan tellen: vermoeid, verdwaasd, de weg kwijt en de os compleet zoek, geen spoor van te vinden, verzwolgen door de eindeloze grasvlaktes en wouden. Andere vertalingen van het gedicht winden er nog minder doekjes om. Zie bijvoorbeeld de Engelse vertaling van Nyogen Senzaki: In the pasture of this world, I endlessly push aside the tall grasses in search of the bull. Following unnamed rivers, lost upon the interpenetrating paths of distant mountains, My strength failing and my vitality exhausted, I cannot find the bull. I only hear the locusts chirring through the forest at night (In de vlaktes van deze wereld schuif ik eindeloos het hoge gras opzij op zoek naar de os. Langs rivieren zonder naam, verdwaald op de dooreen lopende paden van verre bergen, mijn kracht verzwakt en mijn vitaliteit uitgeput, kan ik de os niet vinden. Ik hoor enkel de krekels tjirpen door het woud in de nacht.)

Het lijden

Hier opent zich een spiritueel pad maar de verleiding is groot om de vraag te verengen tot een louter psychologische weg: hier is lijden en daar moet ik vanaf. Hier staat dat lijden, objectiveerbaar buiten mij en hier sta ik en mijn leven kan er alleen maar op beteren als ik daar, door therapie, begeleiding, coaching of hoe heet dat allemaal tegenwoordig, van af raak. En die therapeutische weg kan best een van de vele, kriskras door elkaar lopende paden vanuit verre bergen zijn. De hedendaagse verlokkingen om komaf te maken met het lijden zijn talrijk. Maar als het nu eens precies andersom was? Als, om met Dante”s Goddelijke Comedie (!) te zeggen, de uitgang vande hel niet ergens aan de zijkant lag maar er middenin. Geen ontkomen aan. Denk aan de koan: ‘Hoe ga je op de bergweg met duizend bochten? Altijd rechtdoor.

Of wij een spirituele weg zullen gaan – en dan kan de weg van zen zijn maar er zijn er nog zoveel andere – wordt grotendeels bepaald door hoe ernstig wij het lijden en dan vooral het lijden aan het leven zelf – wat de Boeddha ‘dis-ease’ noemde, ernstig nemen. Nogal wat would-be zelfverklaarde goeroes, ook in de zenwereld, verklaren op hoge toon dat het lijden optioneel is. Dat kan best zijn want tenslotte zeggen wij in de tweede gelofte van de Boddhisatva: hoe onpeilbaar de oorzaak van lijden ook is, ik beloof die geheel te verwijderen maar die zegging doet onrecht aan de massa lijden die er in de wereld is en tot het einde der tijden zal zijn.

Onze ossenhoeder en dat zijn uiteraard wijzelf, neemt het lijden ernstig. Misschien dat superhelden het lijden optioneel kunnen noemen, het is er niet minder reëel om. Wat de Boeddha heel toepasselijk dukkha noemt is ook het vertrekpunt van zijn 4 nobele waarheden. In zijn woorden: dit, monniken, is de edele waarheid van Dukkha: geboorte is lijden, ouderdom is lijden, ziekte is lijden, de dood is lijden, verdriet en weeklagen, pijn, smart en wanhoop zijn lijden; omgaan met hetgeen waarvan je een afschuw hebt is lijden, gescheiden worden van het geliefde is lijden, niet krijgen wat men wil hebben is lijden. Dat is meteen de eerste nobele waarheid die hem het eigen pad van de verlichting in gedreven heeft:

• De eerste waarheid: Er is lijden
• De tweede waarheid: Het lijden heeft een oorzaak
• De derde waarheid: De oorzaak van het lijden kan opgeheven worden
• De vierde waarheid: Door het achtvoudige pad te volgen wordt het lijden beëindigd.
Dit achtvoudige pad bestaat uit: juist inzicht, juiste intentie, juiste spraak, juist handelen, juiste wijze van levensonderhoud, juiste inzet, juist aandachtig zijn, juiste concentratie.

Het zijn ook deze spirituele vragen die de ossenhoeder tot wanhoop drijven: waar of hoe kan ik vrij zijn van lijden? Wie ben ik ten gronde? Waarom doet het zo'n pijn om mezelf te zijn? Hoe kan het dat er zoveel kwaad is? Hoe kan het dat sommige mensen het zo goed met zichzelf getroffen hebben terwijl ik uit loutere worsteling lijk te bestaan?
Hier, in deze onontkoombare vraag, situeert zich de alfa en omega van elke zoektocht. Let wel: die kan ook gericht zijn op psychologisch welbevinden of op fysiek welzijn en beiden kunnen de welkome bijproducten van de zenweg of van meditatie in het algemeen zijn. Denk maar aan de gunstige effecten van mindfulness wat naar mijn aanvoelen de zenweg is, ontdaan van zijn fundamenteel religieuze grondslag.

Voor de zenweg is evenwel noodzakelijk dat de vraag onontkoombaar is, dat ze schrijnt en pijn doet, dat ze een zaak van leven en dood is. Die vraag is feitelijk een koan: het is als het doorslikken van een gloeiend hete, rode, ijzeren bal, die je niet uit kan spugen, hoe hard je het ook probeert (zenmeester Mumon over de koan Mu). Overigens is deze vraag allerminst beperkt tot zen. Graag citeer ik het gedicht van Rutger Kopland dat onze betreurde zen-collega Hugo Cammaer zo dierbaar was:

Verder
I
Nu we weten dat we verdwaald zijn
blijft ons alleen deze plek.
Regen, tot aan de horizon regen
en een zee van grijs-groene heuvels
golven van bos na bos.

II
Onze kaarten hebben we achtergelaten,
ergens, niet boos, niet weemoedig:
ze vertelden ons wat we al wisten,
waar we vandaan kwamen.
Niet waar we waren.

III
Op het punt nu van verder te gaan
en niet weten hoe, niet weten
van het geritsel, de geuren, het duister
onder de bomen, het geschreeuw
in de verte, de verdwijnende
sporen, niet weten
wat het betekent.

IV
Onze gezichten zijn koud en strak,
glad van de regen, alsof we huilen.
Het is geen huilen, het zijn alleen
regen en huid.

V
Grijs-groene golven van bos na bos,
daarin zullen we verdwijnen.
Daaruit zullen we terugkeren,
maar dat zullen wij niet meer zijn.
Wie dat zijn weet niemand.


Dit gaat over fundamentele vervreemding, vreemdheid aan de eigen grondslag van het bestaan. Net als Adam uit het paradijs werd geworpen, lijken wij vreemden van ons bestaan. De Lutheriaanse theoloog Paul Tillich (+ 1965) verwoordde het in christelijke termen in zijn Systematic Theology: “De toestand van bestaan is de toestand van vervreemding. De mens is vervreemd van de grond van zijn bestaan, van andere wezens, en van zichzelf. De mens zoals hij bestaat is niet wat hij wezenlijk is en zou moeten zijn. Hij is vervreemd van zijn ware zijn … “. En verder: “De mens in de totaliteit van zijn bestaan keert zich af van God. In zijn existentiële zelfverwerkelijking keert hij zich naar zichzelf en zijn wereld en verliest zijn wezenlijke eenheid met de grond van zijn bestaan en zijn wereld. De mens, in zijn zelfverwerkelijking, keert zich naar zichzelf en weg van God in kennis, wil en emotie … Alles wordt geprobeerd en niets bevredigt” Einde citaat.

Er is geen weg vooruit, er is geen weg achteruit. Je kunt niet terugkeren, niet naar een onbezorgde kindertijd, niet naar een paradijs dat wellicht nooit bestaan heeft. Je kijkt aan tegen het leven en tegen je eigen onvermogen. En dat inzicht daagt al heel vroeg, op heel jonge leeftijd. Een van de leukste en wat mij betreft, een van de nuttigste indelingen van de verschillende types mens is die van het Enneagram. Die onderscheidt 9 basismodellen waarin telkens één model van kijken naar het leven dominant is. De types zijn:

  • Enneagram Type 1: De Perfectionist
  • Enneagram Type 2: De Gever
  • Enneagram Type 3: De Presteerder
  • Enneagram Type 4: De Romanticus
  • Enneagram Type 5: De Waarnemer
  • Enneagram Type 6: De Loyalist
  • Enneagram Type 7: De Levensgenieter
  • Enneagram Type 8: De Baas
  • Enneagram Type 9: De Vredestichter

Het zou mij te ver leiden het Enneagram hier te bespreken maar graag wijs ik naar de oorzakelijke kern die aan elk van deze modellen ten grondslag ligt. Het gaat om ‘keuzes’ in het omgaan met de fundamentele onbetrouwbaarheid van het leven dat elk kind al zeer vroeg ervaart en dat hem uitdaagt daar dringend zijn defensie tegen op te bouwen. Het leven is fundamenteel ontbetrouwbaar en dan zal ik bijvoorbeeld:

• Zoveel mogelijk genieten (type 7)
• Zoveel mogelijk op alle denkbare onheil berekend zijn (type 6)
• Zoveel mogelijk alle agressie vóór te zijn door als eerste hard te meppen: de eerste klap is een daalder waard (type 8)
• Zoveel mogelijk mensen helpen zodat ze mij geen kwaad zullen doen (type 2)


Terug naar de weg van zen en onze onthutste ossenhoeder. Het boeddhisme heeft hard nagedacht over die fundamentele onbetrouwbaarheid van het leven en stelt dat ze wordt veroorzaakt door de 3 basiskenmerken van het bestaan:

• Annica: vergankelijkheid, alles gaat voorbij, niets is van blijvende aard, Mooie momenten niet, verdrietige momenten niet, je jonge sterke lichaam niet, en zelfs je dierbare, gekoesterde, gepamperde zelf niet;
al wat ontstaat zal ook weer vergaan;
• Anata: zonder zelf, zonder aparte, afgescheiden identiteit
• Dukkha: de fundamentele onbevredigdheid die inherent is aan alles

De Nederlandse zenlerares Jottika Hermsen hanteerde iets andere termen: onbestendigheid, onvoldaanheid, oncontroleerbaarheid en dat vind ik net iets te veel naar psychotherapie ruiken en de onontkoombare, diamantharde diagnose van de Boeddha te missen. Het verlangen naar een afgescheiden zelf dat de dingen blijvend in zijn leven kan organiseren, is de belangrijkste oorzaak van het lijden. Maar zoals gezegd: wanneer dit klaar en duidelijk en onontkoombaar wordt ingezien, opent zich voor het eerst een spirituele weg. Zonder garanties, zonder compromissen.

Drie snelle bemerkingen tot slot:

1. De 10 plaatjes tonen hetzij 1 enkele individuele mens, hetzij de totale afwezigheid van diezelfde mens. Alleen op het laatste plaatje tonen sommige versies van de plaatjes een vriendelijke ontmoeting tussen twee mensen bij een gezellig praatje op de markt. Dit wijst erop dat wij, elk van ons, deze weg alleen gaan. Iedereen, de zenleraar voorop, kan nog zoveel praatjes hebben, zoveel goed bedoelde raad maar deze weg ga je alleen. Meer zelfs: je maakt de weg door hem te gaan. Al zijn er beslist overeenkomsten in de vergezichten die de weg kan schenken, je gaat hem fundamenteel alleen, enkel gesteund door je eigen groot geloof, groot vertrouwen en grote inspanning.

2. Het eerste plaatje staat in het teken van verlies, van lijden. Maar even centraal staat het niet-weten van de ossenhoeder. En beide – lijden en niet-weten – zijn ongemeen belangrijk en waardevol. Meer zelfs: het gaan van de weg put deels zijn energie uit deze krachtbronnen. Is bijgevolg 100% oprechtheid vereist om deze weg te gaan. Neen hoor, mijn leraar vond 3% oprechtheid al een hele prestatie. De rest vult de w
3. De Boeddha stelde dat het ware zelf, compleet, perfect nooit afwezig is. Zijn stellige bemoediging dat alle levende wezens van oorsprong boeddha’s zijn, maakt dat de os nooit zoek geweest is en dat er bijgevolg geen noodzaak is om hem te zoeken. Dat betekent dat zelfs in de uiterste miserie van het eerste plaatje de ware aard al ondubbelzinnig aanwezig moet zijn en dat hetzelfde onverminderd geldt voor alle volgende plaatjes. Vandaar het belang van de laatste versregel van het openingsgedicht: er is alleen het zachte geritsel van esdoornbladeren, en het avondlied van de krekels. Als ik met een persoonlijke anecdote mag eindigen: op een avond van een lange en uitputtende meditatiesessie met de Amerikaanse zenleraar father Hand s.j. en sister Lee, donderde plotsklaps zijn stem door de doodstille zendo: and in the evening he heard cicadas sing in the trees. En plots voelde ik tranen stromen. Was het van uitputting, van de pijn in knieën en rug? Dat ook, wellicht maar, ook diepe vreugde en dankbaarheid om een werkelijkheid die er altijd is, dat mij steunt en draagt en verder meeneemt.