De Plaatjes van de Os, ook wel Plaatjes van de Ossenhoeder genoemd, horen tot de bekendste teksten van de zenliteratuur. De bekendste versie van de ossenhoeder-prenten werd getekend door de 12e-eeuwse Chinese Rinzai zenmeester Kakuan Shīyuǎn, die er telkens een begeleidend gedichtje en een korte inleidende tekst bij schreef. Zijn versie is evenwel niet de enige. Er zijn versies van 6 prentjes, 10 prentjes en zelfs 12 prentjes. Andere versies hebben het niet over een os maar over een olifant (Tibet) of een koe (Indië). Opmerkelijk aan Kakuans versie zijn volgende elementen:
• De os, symbool voor de ware aard, wordt anders dan bij andere versies, in zijn prentjes niet geleidelijk witter om tenslotte helemaal beeld te verdwijnen – lees: de ware aandacht verdwijnt als focuspunt – maar is plotsklaps afwezig in prentje 7 om niet meer terug te komen;
• Bij een aantal versies eindigt het verhaal met de perfecte cirkel, ook wel enso geheten, en die staat symbool van de verlichting maar ook voor de leegte. Niet zo bij Kakuan: zijn reeks eindigt niet met louter leegte of absolute waarheid, maar toont een terugkeer naar de wereld. De finale afbeelding is die van Putai, de "lachende Boeddha", die de bodhisattva Maitreya is, de komende Boeddha.
De Plaatjes ontspringen wellicht aan de behoefte van de mens om zich te kunnen op het spirituele pad. Kwestie van geruststelling te vinden op een lang en bochtig pad. Ben ik goed bezig? Schiet deze onderneming al wat op? Kom ik ooit nog ergens, laat staan: kom ik ooit nog thuis?
Het is sowieso een hopeloze onderneming in het licht van de 4de boddhisatva-gelofte ‘hoe eindeloos het pad van ontwaken ook is, ik beloof dat geheel te belichamen’. Hoe kun je situeren op een eindeloze ‘ladder’ in de stellige zekerheid dat zelfs de historische Boeddha nog maar ‘halverwege’ is …? Onnodig te zeggen dat de Plaatjes om die reden met de nodige omzichtigheid begrepen moeten worden en mijn commentaren bij de Plaatjes nog met grotere reserve moeten gelezen worden. Daarover straks meer.
De Plaatjes staan natuurlijk in een lange traditie van wijsheidswegen. Een ander mooi voorbeeld is bijvoorbeeld de Simurg, de Conferentie van de vogels, een mystieke tekst uit de Soefitraditie van de islam waarin een aantal vogels, onder leiding van de hopvogel een levensgevaarlijke reis ondernemen naar de hoogste berg om daar hun koning (Simurg) te vinden. De vogels staan elk symbool voor een menselijke dwaling die hem verhindert de verlichting te bereiken. De hopvogel waarschuwt de doodsbange vogels dat ze op hun tocht zeven valleien moeten omsteken. Die valleien zijn:
Vallei van de Zoektocht, waar de Reiziger begint met het terzijde schuiven van alle dogma's, geloof en ongeloof.
Vallei van de Liefde, waar de rede wordt opgegeven omwille van de liefde.
Vallei van Kennis, waar wereldse kennis volkomen nutteloos wordt.
Vallei van Onthechting, waar alle verlangens en gehechtheden aan de wereld worden opgegeven. Hier verdwijnt wat verondersteld wordt "werkelijkheid" te zijn.
Vallei van Eenheid, waar de Reiziger beseft dat alles met elkaar verbonden is en dat de Geliefde voorbij alles is, inclusief harmonie, veelvuldigheid en eeuwigheid.
Vallei van Verwondering, waar de Reiziger, betoverd door de schoonheid van de Geliefde, verward raakt en, ondergedompeld in ontzag, ontdekt dat hij of zij nooit iets heeft geweten of begrepen.
Vallei van Armoede en Vernietiging, waar het zelf verdwijnt in het universum en de Reiziger tijdloos wordt, zowel in het verleden als in de toekomst bestaand.
Wanneer de vogels de beschrijving van deze valleien horen, buigen ze hun hoofden in nood; sommigen sterven zelfs ter plekke van angst. Maar ondanks hun angsten beginnen ze aan de grote reis. Onderweg komen velen om. Dorst, hitte of ziekte eisen hun tol. Andere vogels vallen ten prooi aan wilde dieren of komen om door paniek of geweld. Uiteindelijk bereiken slechts dertig vogels de verblijfplaats van Simurg om daar tot hun verbijstering te constateren dat zij in de Spiegel van de Geliefde Majesteit uiteindelijk hun eigen beeld aanschouwen. Zij waren vanaf de aanvang de Simurg en zij waren dat tegelijk niet:
Als Simurgh zijn gezicht aan je onthult,
Zul je ontdekken in wijsheid vergaard,
Dat alle vogels, dertig, veertig of meer,
Slechts schaduwen zijn door onthulling gebaard.
Welke schaduw werd ooit van maker gescheiden?
Zie je de waarheid die hieruit ontspringt?
De schaduw en maker zijn één en hetzelfde,
Dus ga voorbij het oppervlak dat je omringt.
Delf in mysteries die dieper reiken,
Dan wat het oog alleen kan zien.
Ook de christelijke traditie kent verhalen die de spirituele reis om de ware aard van zelf en werkelijkheid te ontdekken illustreren. Een heel bekende versie is van de Spaase karmeliet en mysticus Johannes van Het Kruis. In zijn ‘Bestijging van de berg Karmel’ bezweert hij de eenzame reiziger:
Om te geraken tot het smaken van alles – heb smaak in niets.
Om te geraken tot het weten van alles – wil niets weten.
Om te geraken tot het bezit van alles – wil niets bezitten.
Om te geraken tot alles zijn – wees niets.
Om te geraken tot wat ge nog niet smaakt – moet je gaan langs de weg van het niet-smaken.
Om te geraken tot wat ge nog niet weet – moet je gaan langs de weg van het niet-weten.
Om te geraken tot het bezit van wat je nog niet hebt – moet je gaan langs de weg van het niet-bezitten.
Om te geraken tot wat je nog niet bent – moet je gaan langs de weg van het niet-zijn.
…
In deze ontbloting vindt de geest rust. Omdat hij immers niets najaagt,
vermoeit hem niets op de weg naar omhoog en drukt hem niets bergafwaarts,
want hij staat in het evenwicht van zijn nederigheid.
In zijn compromisloze beschrijving van de weg omhoog leert de auteur de ballast van de mallemolen van het leven achter te laten om uiteindelijk de werkelijkheid, het zelf, de ander en uiteindelijk zelfs God met nieuwe ogen te zien.
Ook de moderne kunst kent beschrijvingen van de spituele weg naar de ontdekking van de ware aard van zelf en werkeliljkheid. Over het prachtige lied ‘Ballad of the Absent Mare’ van Leonard Cohen, rechtstreeks geïnspireerd trouwens door Kakuans Plaatjes van de Os zullen we het even niet hebben. Het is voldoende dat u het nummer uit 1976 beluistert in de versie van Cohen zelf of, beter nog , in de versie van Perla Battala.
Een ander prachtig voorbeeld is de roman van Herman Hesse, Siddharta (1922) die een hele generatie van zoekers en (beat-) zenners in de jaren ’60 geïnspiteerd heeft. Siddhartha is het allegorisch verhaal van een brahmanenzoon die zijn leven wijdt aan het zoeken naar het ware zelf. Als asceet in de bergen mediteert en vast hij, maar vindt de waarheid niet. Zwervend als bedelmonnik hoort hij spreken over de Boeddha, maar ook de grote Meester kan hem de waarheid niet geven. Dan stort hij zich in het wereldse leven, wordt minnaar van de courtisane Kamala, verwerft rijkdom en bezit, wordt vader van een zoon, totdat hij voelt hierin ten onder te zullen gaan; en opnieuw wordt hij bedelaar. Geleid door het heilige Om komt Siddhartha ten slotte aan de grote rivier, symbool van harmonie en vergankelijkheid, een rivier die lacht (!). In de hut van de wijze oude veerman leert hij de wereld der dingen lief te hebben en te begrijpen.
Het opmerkelijkste aan al deze verhalen is dat de zoektocht begint met een tekort – er ontbreekt iets – en eindigt met een teveel – het zoekende, van zichzelf en het eigen bestaan overtuigde ‘ik’, de sta in de weg die het zicht benam op de ware aard van zelf dat uiteindelijk geen afzonderlijk bestaan heeft en een werkelijkheid die evenmin een afzonderlijk bestaan heeft, los van jou.
In zentermen uitgedrukt, kunnen we de dynamiek van het zoeken beschrijven in de bekende aanwijzingen van zenmeester Dogen:
‘De weg van de verlichting gaan, is het zelf bestuderen.
Het zelf bestuderen is het zelf vergeten.
Het zelf vergeten is verwezenlijkt worden door de ontelbare verschijnselen.
Verwezenlijkt door de ontelbare verschijnselen,
vallen je lichaam en geest evenals lichaam en geest van andere weg.
Van deze verlichting blijft geen spoor en dit geen-spoor gaat eindeloos voort.’
(Dogen, Genjokoan – Het verwezenlijken van het centrale punt).
Bijna punt voor punt kun deze onderrichtingen leggen naast de Plaatjes van de os. Maar is dat het pad dat tot verlichting leidt? Waaromhet huis verlaten om thuis te eindigen? Als we dan vanaf het allereerste begin perfect en compleet zijn, waartoe dienen deze oefeningen?
Shakyamuni, de historische Boeddha, bereikte verlichting na lange tijd in zazen gezeten te hebben. Opkijkend naar de ochtendster realiseerd hij zich de grondslag van de werkelijkheid, niet alleen die van hemzelf maar van alles en iedereen: "Ik, alle wezens, en de grote aarde zijn tegelijkertijd de Weg binnengegaan." Zen noemt die perfecte staat het Ware Zelf waar alles en iedereen zonder uitzondering mee geboren wordt. Niet iedereen zal dit realiseren maar het maakt het er niet minder waar of aanwezig om. Vandaar de nood aan groot geloof, groot vertrouwen en grote inzet.
De reis is immers een onophoudelijk proces van zelfonderzoek om de lagen van onze conditionering te doorbreken teneinde de ware aard van ons wezen te bereiken. En die conditionering is massaal aanwezig, een dikke isolerende laag van verhalen, ons bij voortduring en al sinds onze alleerste begin aangereikt door goedbedoelende ouders, leraren, vrienden, peers, de maatschappij, de heersende cultuur en haar (voor-)oordelen, religies, leeftijdsgenoten, de maatschappij en noem maar op.
Wij definiëren ons aan de hand van die verhalen, restaureren ze onophoudelijk, werken ze voortdurend bij, doen al het mogelijke en onmogelijke om dat gebouw dat we ‘ik’ noemen en dat niets anders is dan deze som van verhalen, overeind te houden. Maar onderin deze diep verankerde, ogenschijnlijk massieve scripten, gloeit plotseling de intuïtie dat er een fout in het weefsel zit, dat er een niet te stillen weemoed is. Of zoals de dichter het zegt: de ziele kent geen rust aleer zij rust in God, wat u zich bij dat laatste ook mag voorstellen. Zodra dit inzicht zich onontkoombaar aan mij voordoet, openen zich de Plaatjes van de os, opent zich de reis naar binnen – die tegelijk ook een weg naar buiten is – waar de Plaatjes van de os verslag van doen. Toch zijn enkele waarschuwingen op hun plek.
1. Vergeet karuna, het grote mededogen niet. De weg en dus ook de Plaatjes van de os die de weg verbeelden lijken zich te beperken tot een (afbrokkelend) ego-verhaal en een alomtegenwoordige natuur als afbeelding van de werkelijkheid. Pas in het laatste plaatje als de dikbuikige monnik Hotei glimlachend naar de markt trekt waar de mensen en hun problemen zijn, lijkt karuna aan de orde te zijn. Toch is dit fout. Het mededogen moet er al van meetaf aan zijn, voor de volle 100%. Net zoals de christelijke monniksdeugden kuisheid, armoede en gehoorzaamheid de uiteindelijke verwerkelijking zijn van het inzicht, zo zijn ze in een eerdere fase de aspiraties en de motor van het zoeken.
2. Er lijkt een rangorde in de plaatjes te zitten: van het ogenschijnlijk onbelangrijke ‘nergens zijn’ tot het hoogst gewaardeerde thuis aankomen en naar de markt gaan, lijken de plaatjes steeds meer aan belang te winnen. Maar vergis je niet. In elk plaatje zitten alle andere plaatjes verborgen. Sommige mensen zitten al aan plaatje 4 zonder ooit een eerder plaatje gezien te hebben. Anderen kennen intuïtief het mystieke inzicht van het Plaatje 8 maar zijn misschien verder van huis dan wie het moet stellen met die eerste paar indrukken van de os op Plaatje 2. Denk aan dat oosterse beeld van de weg van judo. Voor elk niveau dat je kunt bereiken in judo, leg je een examen af en, indien geslaagd, krijg je een andere kleur: van wit naar geel, naar oranje, blauw enz. alsmaar donkerder om te eindigen met zwart. Hoe donkerder de kleur, hoe beter de judoka dus. Maar dat is een westerse voorstelling van de weg van judo. In het oorspronkelijke judo was er één kleur: wit. Maar vermits de gordel als enige onderdeel van de uitrusting niet gewassen werd, werd die alsmaar donkerder en … zwarter. Maar uiteindelijk is de originele kleur wat ze altijd geweest is: wit, het wit van de beginneling die steeds opnieuw begint. Het proces van ontwaken kun je in een willekeurig aantal stappen opdelen maar de dynamiek is essentieel één, zonder verschillende en vaste overgangen.
3. De derde waarschuwing sluit daarbij aan. Waardeer elk plaatje, dus zeker ook het allereerste Plaatje dat misschien het belangrijkste is met het brutale ontwaken van een levensgrote vraag, met de onontkoombare realisatie van de diepe onvrede in het leven dat fundamenteel geen bevrediging biedt. In het boeddhisme heeft men het in dit verband over de alaya-vijnana, de voorstelling van het bewustzijn als opslagzolder van allemaal zaadjes, goede zaadjes en slechte zaadjes die naargelang de omstandigheden zullen ontkiemen tot weldadige of schadelijke daden, gevolgd door hun karmische schaduw.
Het Tibetaanse boeddhisme gebruikt in de dat verband graag het visueel aantrekkelijke beeld van de zes rijken met elk hun specifieke begoochelingen:
Het rijk van de hel: in niets geloven, niet het vermogen hebben om zelfs de meest intieme naasten rondom je te vertrouwen
Het rijk van de hongerige geesten: wezens met een ongelooflijk bolle buik en maar een heel klein keeltje nauwelijks in staat tot slikken: onverzadigbaar hunkeren naar meer ondanks het feit dat we al zoveel hebben
Het rijk van de boze goden: denk aan een niet nader te noemen president van USA: altijd geïrriteerd, altijd woedend zonder duidelijke reden, eeuwig tekort gedaan
Het rijk van de dieren: schaamte voelen over je daden
Het rijk van de mensen: in staat zijn tot zelfreflectie, berouw tonen en de nood voelen je te verbeteren
Het rijk van hemelse wezens: wezenloos verliefd zijn, genieten, de tijd van je leven beleven tijdens een droomvakantie …
Deze rijken zijn niet iets wat we na de dood zullen ervaren; ze zijn wat we nu ervaren en ze hebben bovendien geen permantie. Zelfs het rijk der goden eindigt ooit en slaat om in zijn tegendeel. Zolang we onze ware aard nog niet gerealiseerd hebben, bliven we onophoudelijk migreren tussen de rijken.
Wat wil nu de theorie van de alaya vijnana? In elk van de rijken, zelfs de meest miserabele, liggen zaadjes die kunnen ontkiemen tot de verlichting maar alleen in het rijk van de mensen liggen ze dik gezaaid, halen ze een voldoende densiteit om tot realisatie te kunnen komen. Andermaal een reden om het eerste plaatje, ondanks zijn wanhoop, liefdevol te omarmen in waardering voor het rijk van de mensen.