Het gedicht
Het gezang van de wielewaal weergalmt in het bos.
De zon is warm, het briesje voelt zacht,
wilgen staan groen langs het water.
De os heeft geen plaats om zich te keren in de braamstruiken.
Het eerste plaatje: de os is zoek
Het eerste plaatje is dat van het begin van een wanhopige zoektocht. Wie ben ik, hoe moet ik leven, wat is goed, wat is fout, waar moet ik heen, wat moet ik doen om een goed leven te leven, waar vind ik het geluk? Allemaal vragen waarop ik het antwoord wil weten, het antwoord absoluut moét kennen wil ik een zinvol leven leiden. Maar wat als de antwoorden niet vanuit het weten of denken zouden komen maar vanuit een diep niet-weten waarin de hele werkelijkheid resoneert.
Maar wat is de vraag? Dat waren de laatste woorden van de schrijfster Gertrude Stein op haar sterfbed: ‘Mijn hele leven heb ik gezocht naar antwoorden, maar wat was de vraag’. En vooral ook, wie is de man of vrouw die de vraag stelt? Het komt erop neer dat ik mezelf telkens opnieuw ervaar als in laatste instantie niet kenbaar. Ik kom voort uit en keer telkens weer terug naar een volledig mysterie, onkenbaar, niet uit te spreken, onbewust. De weg naar het licht dat klaarheid brengt is de weg naar steeds donkerder, dieper de duisternis in. Zen en het boeddhisme hebben daar vreemde namen voor, leegte, sunyatta, ongrond. Namen waarin je snel verdwaald raakt, wegwijzers die de verkeerde kant uit staan. Want het zijn allemaal maar vingers die wijzen naar de maan, niet de maan zelf. Maar daar heeft de wanhopige vragensteller van het eerste plaatje allemaal geen boodschap aan. Hij wil weg uit de wanhoop, zo snel mogelijk, hij wil antwoord. En hij heeft geen boodschap aan de wijsheid dat je beter bij de vraag kunt blijven dan je te verliezen in antwoorden die niet langer gelden dan de seconde waarin ze gegegeven worden.
Het tweede plaatje: sporen van de os
In het tweede plaatje vindt de zoeker alvast enkele sporen. Misschien heeft hij iets gelezen dat hem diep raakte, een gesprek dat een aanwijzing gaf, maakte hij kennis met meditatie die hem weliswaar geen antwoorden bracht maar die voor even de vragen en hun achterliggende dorst naar zin en betekenis deed verstillen.
Die sporen geven de zoeker de stellige zekerheid dat de os bestaat en de dichter die elk plaatje begeleidt met een kort gedicht ziet het hoofdschuddend aan: de ware aard, de os is zo groot als de hele werkelijkheid, waar zou de ware aard zich ook maar kunnen verbergen. Bedenk dat alle plaatjes – van de wanhoop van het eerste plaatje over de serene rust van het inzicht tot het uiteindelijke terugkeren met lege handen naar de markt – zich binnen een volmaakt getekende cirkel afspelen. Ook de wanhoop, ook het niet weten van hoe en waarom maken deel uit van de verlichting. Een zoekende, aarzelende boeddha is niet minder een boeddha dan de boeddha die het inzicht gerealiseerd heeft. Een troostende gedachte alvast.
Het derde plaatje: een eerste glimp van de os
En zo komen we aan bij het derde plaatje waarbij de os in zijn majesteitelijke grootsheid wordt gezien. Maar het beest zit helemaal verstrikt in de braamstruiken. Wat je van hem ziet is enkel zijn kolossale achterkant, de pure lichamelijkheid van niet-weten. Maar dit is geen mislukking, geen ramp, geen nederlaag. Kijk maar naar de lieflijke feestelijkheid waarmee het tafereel van de ongetwijfeld kwaad snuivende os wordt omringd: de wielewaal zingt in het bos, er staat een warm zonnetje met een zacht suizend windje, er is water en groene wilgen langs de waterkant. Niet-weten is de plaats waar de geen-antwoorden geboren worden. Als de ziele luistert heeft het al een tale dat leeft
Zelfkennis oftewel weten wie je bent is het laatste taboe. Dat is de titel van zijn boek The Book On the Taboo against Knowing Who You Are van de schrijver Alan Watts.
Volgens hem denken we te weten wie we zijn en dat is meteen het probleem.
Want wie we zijn, valt niet te bedenken.
We denken onszelf partieel, als een afgerond, omsloten ding.
Binnen dit afgeschermde terrein wanen we onszelf veilig,
daarbuiten is alles vreemd, bedreigend en vijandig.
‘Ik zelf’, een afgezonderd, afgesplitst psychisch centrum
gebonden aan een lichaam, een centrum dat zich geconfronteerd ziet
met een uiterlijke, vreemde wereld.
Maar schrijft Watts: ‘Het gevoel eenzame en zeer tijdelijke bezoekers in het universum te zijn,
staat in flagrante tegenstrijdigheid tot alles
wat we in de wetenschappen weten over de mens (en over andere levende organismen).
Wij komen niet in deze wereld, wij komen eruit voort zoals bladeren uit een boom.
Wij staan niet tegenover deze wereld die ons al dan niet tegenvalt,
maar wij zijn expressie van deze wereld.
Zoals de oceaan ‘golft’ en het universum ‘menst’.
Elk individu is een expressie van het gehele rijk van de natuur,
een unieke actie van het totale universum.
Dit feit wordt zelden, misschien zelfs nooit, door de meeste individuen ervaren.
Zelfs degene die in theorie weten dat het waar is,
ervaren of voelen dit niet, maar gaan door
zichzelf bewust te zijn als geïsoleerde ‘ego’s’ binnen een zak van huid.’
Watts is zich maar al te zeer bewust van de welhaast onmogelijke opgave: ‘De sensatie van een eenzaam en geïsoleerd centrum is zo krachtig volgens het gezonde verstand en fundamenteel voor ons taalgebruik, voor onze juridische en sociale instituten, dat we zelfheid niet anders kunnen ervaren dan iets oppervlakkig in het schema van het universum.’
Vandaar de centrale Soto opdracht:
De Weg van de Boeddha gaan is het zelf bestuderen Het zelf bestuderen is jezelf vergeten. Jezelf vergeten is bevestigd worden door de tienduizend dingen. Door de tienduizend dingen bevestigd worden is je eigen lichaam en geest laten wegvallen en ook die van anderen. Alle sporen van verlichting verdwijnen dan en die verlichting zonder sporen zet zich eindeloos voort.
De ervaring van het zien van de os is de ervaring van het niet-weten:
1. Niet-weten is ons allen vertrouwd. Eerste glimpen in de kindertijd
Jan-Willem Van de Weetering Je ben acht jaar oud. Het is zondagavond. Je mag nog een uurtje opblijven. De familie speelt monopoly. Je doet mee. Je verliest. Je verliest steeds meer. Je maag krampt van angst. Je bent bijna alles kwijt. Het hoopje geld voor je is verdwenen. De huizen worden van je straten gegrist. De laatste straat wordt verkocht. Je moet het opgeven. Je bent verloren. Het zweet staat op je voorhoofd. En opeens weet je dat het maar een spel is. Je springt op van vreugde en je slaat de kap van de lamp. De kap valt op tafel en er valt een kopje thee om. De anderen worden boos op je maar je gaat lachend naar bed. Het is de eerste keer dat je weet dat alles een spel is, dat je nooit iets zult kunnen verliezen. Je weet dat je niets hebt, dat je niets bent. En je weet dat niets-hebben en niets-zijn een onmetelijke vrijheid oplevert. … Het leven is een grote verschrikking. En het is wonderlijk mooi. Het woord ‘wonder’ wordt te veel gebruikt en heeft zijn waarde verloren. Maar we leven in wonderen. De lijsters in het park, de eenden die in de gracht drijven, de planerende meeuwen, maar ook de auto op de Rijksweg, de graafmachine in de polder, en de grote vierkante flatgebouwen. (Janwillem van de Wetering)
2. Niet weten van de psychologe (Bieke Van de Kerckhove, Hoe ik bij mezelf ben gaan wonen)
Jarenlang had ik er geen benul van dat het leven eigenlijk iets is om van te duizelen. Alsof ik enkel in de bovenste vijf centimeter van mijn lichaam leefde. Ik benaderde de werkelijkheid volledig vanuit mijn hoofd. Het leven was voor mij dan ook begrijpelijk en overzichtelijk. Als student verdiepte ik me in filosofie en psychologie. Mijn streefdoel was: de dingen in hun context situeren en een denkkader uitbouwen dat naar mijn gevoel recht deed aan de complexiteit van mens en wereld. Ik was trots op mijn duidelijke maar genuanceerde visie. Het kan mij niet meer bekoren. Het is allemaal voltooid verleden tijd. Nu kan en wil ik alleen nog zeggen: ik weet het niet. … Wat heb je nog te verwachten als je te horen krijgt dat je dagen geteld zijn en je helemaal af zult takelen? Op slag verloor alles zijn glans. ik belandde in een gigantische depressie en zag geen enkel lichtpunt. Eigenlijk was ik dood nog voor ik zou sterven. Maar toen gebeurde er iets eigenaardigs dat ik nog altijd niet kan bevatten. Iets in mij, dat ik niet kan benoemen, wilde de stilte in, ook al begreep ik niet waarom.”… Ik kan mijn leven niet uithouden zonder die opening op een ongrijpbare overkant. Maar open wil zeggen open. Ik verdraag niet dat die open ruimte ingevuld wordt. Ze moet leeg blijven, maar wel open… Daarom denk ik dat er geen krachtiger schoorsteen bestaat dan mediteren in pure stilte.”
3. Niet-weten van de dichter: Thomas Transströmer
IV
Zoveel waarop wij moeten vertrouwen om ons dagelijks bestaan
te kunnen leven zonder door de aarde te zakken!
Vertrouwen op de sneeuwmassa's die zich aan de berghelling
boven het dorp vastklampen.
Vertrouwen op de zwijgbeloften en de glimlach van verstandhouding,
erop vertrouwen dat ongelukstelegrammen niet ons gelden en dat
de plotselinge bijlslag van binnenuit uitblijft.
Vertrouwen op de wielassen die ons over de snelweg dragen
te midden van de driehonderd keer vergrote stalen bijenzwerm.
Maar niets van dat alles is eigenlijk ons vertrouwen waard.
De vijf strijkstokken zeggen dat wij op iets anders kunnen vertrouwen.
Op wat? Op iets anders, en zij volgen ons een eindweegs daarheen.
Zoals wanneer het licht op de trap uitgaat en de hand
- vol vertrouwen - de blinde armleuning volgt in het donker
4. Niet-weten van de zenmeester: Boddhidharma
"Keizer Wu van Ryo vroeg de grote meester Bodhidharma:
'Ik heb van alles gedaan: tempels gebouwd, monniken gesteund, kloosters gesticht, de heilige geschriften op ruime schaal laten verspreiden. Wat is mijn verdienste?”.
Bodhidharma: ‘Niks geen verdienste’
De keizer verbijsterd: ‘Wat is de uiteindelijke betekenis van de heilige waarheid van het boeddhisme?' Bodhidharma antwoordde: 'Uitgestrekte leegte. Geen heiligheid.'
De keizer vroeg: 'Wie is het die hier voor mij staat?'
Bodhidharma antwoordde: ‘Niet-weten.'
De keizer was verbijsterd.
Daarna stak Bodhidharma de rivier over, arriveerde bij Shorin en keek negen jaar lang naar de muur.
Later bracht de keizer dit ter sprake bij Meester Chih, die vroeg: "Weet Uwe Majesteit wie die man was?" De keizer zei: "Ik weet het niet."
Chih zei: "Hij is de Mahasattva Avalokitesvara, die het Boeddha Geestzegel doorgeeft.
De keizer had grote spijt en wilde een afgezant sturen om Bodhidharma terug te nodigen.
Chih zei: "Majesteit, stuur niemand om hem terug te halen. Zelfs als iedereen in het hele land achter hem aan zou gaan, zou hij nog steeds niet terugkeren."
Conclusie:
Het bestaan is een mysterie, een raadsel. Het is: niet weten. Religie is in essentie de erkenning van en de waardering voor het mysterie van mijn bestaan. Het gaat niet over een geheim dat achter of boven de dingen van de wereld zou bestaan. Deze aarde, mijn leven en de levens van alle anderen zijn een en al mysterie. Het komt als een levensgrote vraag op je af. De Koreaanse zenmeester San Sunim zei altijd te behouden die ‘don’t know-mind’. Leven is ten diepste niet-weten, daarop vertrouwen en vertrouwen dat van daaruit je enige, authentieke antwoord komt. Dat jij op onnavolgbare, volstrekt unieke manier tot uitdrukking brengt.