2. De uiterlijke gestalte van de zenpraktijk (2).
2.1. Het wachten
2. 4. Buigen naar het lege midden
Toen Mozes geroepen werd om zijn lijdende volk uit de onderdrukking van de Egyptenaren te bevrijden, verscheen God hem op de heilige berg Horeb. Daar verscheen een stem hem als een vuur in een doornstruik die niet verbrandde. Toen Mozes op die struik af stapte, bezwoer God hem niet dichterbij te komen en zijn schoenen uit te trekken want hij stond op heilige grond.
Voor de zentraditie geldt de lege ruimte als een heilige ruimte, als de Tathagatagharba, de baarmoeder (gharba) van de Aldus Gekomene (Tathagata, een andere naam voor de Boeddha, hij die voorbij alle komen en gaan is). Buigen naar deze lege ruime is veel meer dan een fysieke handeling. De buiging drukt de stellige intentie uit bewust aanwezig te zijn met lichaam, spraak en geest. Zij drukt erkenning uit van de leegte als kern van ons bestaan en dankbaarheid voor de geboden oefenplek. Voor de duur van de meditatie houden wij ons op aan de rand van ons bestaan, letterlijk, en geven voorrang aan het niet-weten dat ons vanuit de leegte tegemoet treedt.In de regel is de meditatieruimte leeg. Bij ons staat er een brandende kaars maar eigenlijk is dat een fout. In een zendo is wel degelijk een klein meditatie-altaar aanwezig maar dat staat, net als de mediterenden zelf, aan de rand. Daarom staan in de regel een beeldje van Manjushri (Bodhisattva van wijsheid en inzicht, herkenbaar aan het zwaard waarmee hij illusies doorsnijdt), brandt een wierookstokje en staan bloemen of een plantje en een kaars. De kaars staat voor onze Boeddhanatuur. De wierook staat voor de dharma, de leer die de hele werkelijkheid doortrekt. Het plantje staat voor de sangha en haar leden, allemaal verschillend van aard en karakter maar toch verbonden door dezelfde wortel. Merk op dat je in de regel geen voorstelling van de Boeddha ziet in de meditatieruimte. Boeddha, dharma en sangha zijn de elementen waar wij onze toevlucht toe nemen. Daarover zo dadelijk meer(to be continued)