In zen erkennen we en nemen we verantwoordelijkheid voor het feit dat onze ervaring van de realiteit een weefsel is dat geweven is van verhalen. Weefsel in het Engels is "a fabric" en dat zegt alles: onze ervaring van de werkelijkheid is letterlijk gefabriekt en net als de vrouw van Odyseus blijven wij constant in de weer aan dit weefgetouw om wat wij overdag weefden, 's nachts weer uiteen te halen.
En met een beetje geluk en heel veel aandacht stoppen we met in onze oude trucs te vervallen. We hoeven het alleen maar te merken. Stop, keer het licht naar binnen en belicht de oorsprong. Keer op keer. En weer. Let gewoon op. Zen gaat over het herkennen van onze verhalen.
Zen gaat immers niet allereerst over het verkrijgen of bereiken van de Verlichting, 8 op de schaal van Richter. Het gaat om intimiteit — een intimiteit die niet wordt gecreëerd, maar die er altijd is, als we ze maar opmerken. Na verloop van tijd gaan we de activiteit van onze geest met meer helderheid zien, zelfs onder die activiteit door. We erkennen door onze eigen ervaring dat de basis van onze waarheid, van onze ervaring van de realiteit, niet onze gedachten of onze waarnemingen zijn, maar onze gevoelens van voorkeur en afkeer, van willen en niet willen, dat alles vanuit een selectiviteit die geen recht doet aan de realiteit.
Onder de verhalen door, onder het constante gedreun, onder de emoties en onder alle ego-gedoe ligt evenwel een openheid, een ruimtelijkheid, een intieme aanwezigheid waarin de tienduizend dingen zich voortdurend in al hun weerloze aanwezigheid aandienen. Jouw leven, mijn leven is bodemloos, je kunt er niet uit vallen.
Belangrijk in dit verband is de term ruimtelijk, de ruimte die altijd om ons heen is, de basis waar het leven plaatsvindt, het canvas waartegen het leven zich aftekent. Zen zou het de leegte noemen waaruit alles voorkomt en waar alles weer naar terugkeert.
Die ruimtelijkheid die ook intimiteit is, heeft niets te maken met 'ik', 'ik en mijn meningen', 'ik en mijn voorkeuren en afkeren', 'ik en alles wat om mij draait'. Op de achtergrond van dat alles is er steeds dat eindeloze perspectief van 'alles in mogelijk'. Wat er ook gebeurt, ik ben 'hier' in de stellige zekerheid dat ik op de juiste plek ben, zelfs als mijn leven waardeloos lijkt in de eigen ogen of in de ogen van de anderen. Ook waar het moeilijk is, weet ik dat dít mijn plek is. Weet ik dat dit een goede dag is, los van zijn inhouden.
Over de intimiteit van het verlicht worden door de tienduizend dingen, over deze ruimtelijkheid waarin lichaam en geest weggevallen zijn, over dit mee vibreren met de tienduizend dingen zullen we het in dit komende werkjaar hebben.