Stoppen en wachten: de innerlijke gestalte van de zenpraktijk

2.1. De kunst van het wachten

 

Het moeilijkste moment is voor mij het wachten vóór de meditatie. Wachten tot de zendo wordt betreden, wachten achter het zitkussen tot er gebogen wordt, wachten tot we eindelijk kunnen overgaan tot de orde van de dag. En die orde van de dag is mediteren: twee periodes van 30 minuten, onderbroken door een trage kinhin van 5 minuten. Ook dat is vaak lastig: die uiterst trage, bedachtzame stap, met volledige aandacht voor het neerzetten van de voet, de verdeling van het gewicht, het zachte zinken in de stap — het gaat allemaal in tegen de vezelrichting van ons alledaagse handelen. Alsof traagheid een vorm van opgeven zou zijn. Met de hedendaagse communicatiemiddelen is dat probleem alleen maar toegenomen. Een mail is al beantwoord voordat hij goed en wel gelezen is, een bestelling al geplaatst voordat de vraag ‘nodig of niet nodig?’ echt is doordacht. Iedereen kent het: je beantwoordt een bericht ‘per kerende’ — de uitdrukking alleen al. Tot je beseft dat de vraag geen vraag om informatie was, maar een vraag om aandacht, om échte aandacht die de ander alle ruimte laat voor zijn verhaal. Maar helaas: het moment is gemist en voorbij. Langzamer bewegen is geen vorm van opgeven — het is beter kiezen. En ontvankelijker zijn.

 

Stoppen en wachten zijn in onze tijd van efficiëntie en productiviteit geen hoog aangeschreven bezigheden. Dat heeft zo zijn redenen, en de belangrijkste heeft te maken met veiligheid en angst. Snelheid voelt nu eenmaal veiliger. Traagheid lijkt zwakte te suggereren; alleen snelheid zou ervoor kunnen zorgen dat je niet achterop raakt. Probeer maar eens een zichzelf vullende mailbox voor te blijven. Misschien mis je wel iets belangrijks. Misschien verdwijnt er een kans vóór je er erg in hebt. Je houdt het jezelf en je kinderen voor: de wereld wacht op niemand. Hij draait maar door, en je moet zorgen dat jij er met je trage beschouwelijkheid niet uit valt. En dus houden we stevig de pas erin, respecteren we het heersende tempo en zweren we bij snel reageren en efficiënt beslissen. Maar waar blijft de kans om even pas op de plaats te maken, om te kijken waar we eigenlijk heen gaan? Zoals in dat verhaaltje waarin een ruiter in volle, halsbrekende galop voorbijstuift en een verschrikte voorbijganger angstig vraagt: ‘Waar ga je zo snel naartoe?’ Waarop de ruiter, even angstig, antwoordt: ‘Weet ik niet, vraag het paard.’

Maar er zijn nog twee gevaren: het gevaar van uitputting door het constante gedraaf dat alles besmet wat we doen, tot en met onze momenten van rust. Let er maar eens op: onze haast verbergt onze angst voor de leegte, voor de niet-ingevulde minuut, de gemiste afspraak, the fear of missing out. Waar we ook zijn, we hebben de indruk dat we eigenlijk al ergens anders zouden moeten zijn. Maar eigenlijk is dat een vorm van armoede: razen zonder ooit ergens aan te komen, plannen zonder ooit ergens een finaal punt te kunnen zetten, nooit werkelijk te zijn waar we zijn. Onze onophoudelijke zoektocht naar efficiëntie kent haar eigen armoede. Met stijgende efficiëntie vouwen we weliswaar tijdrovende vormen in, maar in diezelfde beweging vouwen we ook de zinvolheid weg. Je kunt de handafwas met je vriendin natuurlijk veel efficiënter vervangen door een afwasmachine, maar kijk eens wat je verliest: een moment van verbondenheid, van reflectie, van het tragere genieten van elkaars gezelschap. We raken zelden uitgeput van inspanningen die zin en betekenis hebben, maar ga bij jezelf maar eens na waar die dagelijkse uitputting werkelijk vandaan komt.

2.2. De zenweg is blijven waar je bent

Is de zenweg een toepassing van mindfulness, een techniek die je leert aanwezig te zijn, ten volle te zijn waar je bent? Ten dele wel. De zenweg, in zijn uiterlijke gestalte van bewegingloos zitten op kussen, bankje of stoel, verbeeldt inderdaad die mogelijkheid van aankomen, als je maar ophoudt met onderweg te zijn. Mediteren betekent ook jezelf toestaan aanwezig te zijn waar je bent, bezig te zijn met wat je doet zonder tegelijk mentaal te willen ontsnappen aan waar en wie je bent. Maar de werkelijkheid is weerbarstiger dan dat: de wens en het vermogen om mentaal te ontsnappen lijken eindeloos.

Meditatie als aandacht, als aanwezigheid, verandert niets — en toch is alles veranderd. Traagheid, het échte wachten, vereist niet meer tijd, maar een dichtere aanwezigheid. Het vraagt geen extra tijd, wel een grotere kwaliteit van ontvankelijkheid.

III. Zien voordat je gaat handelen

Een van de bekendste verhalen uit het taoïsme gaat over een slager die zijn mes jarenlang hanteerde zonder dat het ooit bot werd of geslepen moest worden. Zijn collega’s moesten om de haverklap hun messen slijpen of zelfs vervangen, omdat ze vol bramen zaten en de botte, haperende snede op geen enkele manier meer te verhelpen viel. Gevraagd naar zijn geheim vertelde de slager: ‘Ik zoek de natuurlijke ruimtes tussen de gewrichten, de “leegtes” waar nauwelijks weerstand is. Ik volg de natuurlijke structuur. Ik weet waar ik moet bewegen nog vóór ik beweeg.’ Zo gleed zijn mes als door de boter: geen gewring, geen onnodige kracht. De slager zette niet in op snelheid, maar op de juiste waarneming: de situatie zo lezen dat de situatie zelf om handelen vraagt.

Stoppen en wachten binnen de zencontext betekent ophouden met wat die andere slagers deden: duwen, wringen, onoordeelkundig hakken en gooien met de glazen. Wie snel werkt, lost vaak het verkeerde probleem op. Maar wie steeds het juiste punt mist, dreigt een leven te leiden dat zijn eigen punt mist.

2.3. Stoppen en wachten is bedreigend

Traagheid heeft iets bedreigends. Als ik wacht tot een oplossing zich aandient vanuit het niet-weten, in plaats van vanuit de ready-mades van mijn gebruikelijke geest, ontstaat er vaak een ongemakkelijke rusteloosheid. Die verbergt op haar beurt een vage angst. Soms is die heel concreet, bijvoorbeeld de angst dat ik ben weggelopen voor iets wat ik liever niet onder ogen zie. Maar daaronder schuilt nog een andere, meer existentiële angst: het besef geen greep te hebben op mijn leven. Niet te weten wat ik werkelijk van mijn leven wil, niet te weten of dit het leven is dat ik wil. Dat ongemakkelijke gevoel kun je gemakkelijk verdrinken in de snelheid waarmee je voortbeweegt, maar het blijft aanwezig. Toen de Boeddha in de eerste nobele waarheid sprak over het lijden dat altijd aanwezig is, bedoelde hij deels ook dit soort ongemakkelijkheid. Alsof er een slag in je wiel zit: als je maar hard genoeg fietst, valt het nog enigszins mee, maar zodra je vertraagt, voel je het des te harder.

Vertragen en stoppen, zoals we dat in de zenmeditatie doen, maakt dat we kwetsbaarder aanwezig worden: ook bij de niet-vervulde wensen, bij het niet-verwerkte verdriet, bij de gevolgen van de keuzes die we al dan niet maakten. Vertragen en stoppen vergt moed; het is allerminst passief.

2.4. Stoppen en vertragen is vaak het enige wat je kunt

De belangrijke zaken kun je niet haasten. Ze bieden weerstand en onttrekken zich aan wat wij zo graag zouden willen. Van vertrouwen wordt gezegd dat het te voet komt, maar te paard gaat. Liefde kun je niet haasten. Rouw kent geen makkelijke vervaldag, maar moet ‘uitgezeten’ worden. Inzicht laat zich niet forceren. Wijsheid overkomt je niet ineens. Ze komt op haar eigen tempo en overvalt je vaak op een onverdacht moment. Vandaar ook de uitdrukking dat het leven gebeurt terwijl je iets heel anders in gedachten had. Het is een vrome wens dat wij liefde en rouw, begrip en wijsheid zouden kunnen ‘processen’. Toch zijn dat precies de technieken die in het moderne leven hoog aangeschreven staan, en die gedoemd zijn te mislukken zodra het gaat om wat werkelijk belangrijk is: liefde, verbondenheid, wijsheid.

Iets mysterieus en naamloos voert ons mee. Je kunt het niet benoemen, maar je kunt niet blijvend tegen zijn stroom in gaan. Probeer je dat toch, dan put je uiteindelijk alleen jezelf uit. Geduld is niets anders dan opmerkzaam aanwezig zijn in dat mysterieuze. De stroom van wijsheid voorbij alle wijsheid voert ons mee. Je kunt meebewegen of tegen de stroom in spartelen — een vruchteloze beweging die je zal uitputten. Maar je kunt er ook aandachtig van genieten: van het flonkerende licht op de golfjes, van het wuiven van het gras langs de voorbijglijdende oevers, van het zachte geluid van ‘hier’ zijn, maar ook van de plotselinge stroomversnellingen. Zen verplicht je in zijn uiterlijke gestalte tot stoppen, neerzitten en wachten, geborgen in het ongehaaste Het. Vandaar dat ik graag besluit met een gedicht van de Japanse zenleraar en vormgever van de samoerai-idee, Takuan (1573–1645).

Net als de lege hemel

heeft Het geen grenzen

En toch is Het hier helemaal

 

Altijd diep, altijd helder

Als je probeert Het te kennen

zul je Het niet zien

je kunt Het niet beetpakken

maar je kunt Het ook niet verliezen

 

Door het niet te kunnen grijpen

heb je Het

Wanneer je stil bent

spreekt Het

 

De grote poort is altijd open

en overlaadt je met aalmoezen

en geen menigte verspert je weg.

Terug naar Home