De Hart Sutra

De geest van de beginner

De Hart Sutra van de Wijsheid voorbij alle Wijsheid (Prajna Paramita) vergezelt van heel dichtbij elke zenpraktijk. Daarbij fungeert ze 'n beetje als een spiegel. Net zoals dat bij (goede) gedichten het geval is, verandert de tekst elke keer met je mee. Telkens weerspiegelt hij iets anders, vraagt hij aandacht voor deze of gene zin of invalshoek. Maar dat ligt niet aan de tekst, dat ligt aan de lezer en diens rijpende inzicht. Hoe je die tekst doorheen de tijd leest, is als het ware een geestelijke autobiografie die zich ontvouwt terwijl zij zich schrijft of jij ze leest. Tot er alweer iets anders gebeurt en je wereld op zijn kop wordt gezet waardoor je van al je zogezegde ‘inzichten’ niets overhoudt of, integendeel, in de hoek gedrumd wordt door het tegenovergestelde van wat je eerst dacht. Als dat geen aabeveiling is om deze Sutra vaak te lezen en nog vaker te herlezen.

Dat is niet in tegenstelling tot het belang van ‘de geest van de beginner’, nog zo een geliefd begrip uit de zentraditie waaraan we met zijn allen graag lippendienst bewijzen. Tot het moment waarop je zogenaamde beginnersgeest je vooral met je mond vol tanden laat staan en je je duur/zuur verdiende inzichten moet loslaten omdat ze niet langer sporen met hoe je de dingen nu moet voelen en zien. Je kunt wel proberen de werkelijkheid te doen beantwoorden aan hoe je erover dacht maar je kunt beter – hoewel dat een veel grotere krachttoer is die geduld vergt en overgave en lijdzaamheid – je gedachten laten sporen met de werkelijkheid. Dat is zeker zo met de Hartsutra die een en al negatie, een en al ontkenning is. Dit is het niet, dat is het niet en dat andere is het ook niet. Getuige die belangrijke passage waarin de Hartsutra met grote stelligheid beweert:

Zo is er in de Leegte geen onwetend-zijn en ook geen einde van onwetend-zijn,

geen ouderdom en dood, geen einde ook van ouderdom en dood,

geen lijden, ook geen oorzaak en geen opheffing van lijden,

geen weg en ook geen inzicht, geen bereiken en geen niet-bereiken.

Deze passage is een onmogelijke spreidstand voor het logische denken: het ene is waar, maar wat daar helemaal tegengesteld aan is, is … ook waar. Ga maar na: we sterven maar we sterven niet. Er is geen ouderdom en dood maar tegelijk is er niets anders dan ouderdom en dood. Er is geen lijden en toch is er geen einde aan het lijden.

U zult zich herinneren dat de Boeddha het wiel (van inzicht) een eerste keer liet draaien met als centrale idee de 4 nobele waarheden over de oorzaak van het lijden en ook de opheffing ervan door middel van het achtvoudige pad en de zgn. interdependent coorigination, het onderlinge afhankelijke ontstaan van alle dingen. Maar omstreeks de start van onze jaarrekening geeft het mahayana denken een tweede draai aan het wiel. Kernideeën zijn:

• Als dit is, is dat.

• Door het ontstaan van dit, ontstaat dat.

• Als dit niet is, is dat niet.

• Door het ophouden van dit, houdt dat op.

 

Omdat alles van al het andere afhankelijk en vergankelijk is, ontbreekt er een permanente, onveranderlijke essentie (zelf) in alle dingen, met voorop het ik, een van de hardnekkigste illusies en oorzaak van alle lijden. Het wijsheidsinzicht - dus niet theoretisch maar van binnenuit gevoeld - in deze leer staat centraal in een juist begrip van zelf en werkelijkheid en leidt tot het opgeven van gehechtheden en het uiteindelijke binnengaan in Nirvana. De Hartsutra bundelt deze totaal nieuwe kijk in enkele verzen met als centrale uitdrukking: vorm is leegte, leegte is vorm. De Hartsutra betoogt dat alle dingen leeg zijn van een onafhankelijk, op zichzelf staand ik. Dat is niet een soort nietsheid wat de eerste Westerse geleerden die het boeddhisme bestudeerden, de idee in gaf dat het boeddhisme nihilistisch, levensontkennend was. Integendeel: de Hartsutra levert impliciet zware kritiek op theravada en haar illustere vertegenwoordiger in dit gedicht: Sariputra. Leven voor de Hartsutra is allerminst een afsterbven tot een steriele zuiverheid waarin alle passies en gehechtheden uitgestorven zijn in een zoektocht naar een eeuwig Nirvana ten koste van het slordige Samara. De Hartsutra is een fundamenteel eerherstel van Samsara, de voortdurende dynamiek van het leven zoals het beweegt, vluchtig, onherhaalbaar. De hemel is niets anders dan de aarde, het vluchtige heden is het eeuwige heden en het eeuwige heden is het vluchtige heden.

De Hartsutra is allesbehalve makkelijke lectuur, ze is compromisloos en van een totale ontoegeeflijkheid. Je vermoedt steeds diepgaander dat deze strofen juist zijn, hun in steen gebeitelde juistheid ligt in het leven en buiten bereik van het denken. In dat verband is de strenge vermaning van Paulus aan de eerste christenen van Korintië (1ste brief aan de Korintiërs, 3) op haar plaats als kritische spiegel en constante vermaning:

 

Laat niemand zichzelf iets wijs maken. Als iemand onder u wijs meent te zijn, wijs volgens de opvattingen van deze wereld, dan moet hij dwaas worden om de ware wijsheid te leren.

De wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God. Er staat immers geschreven: Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid,

en elders: De Heer kent de gedachten van de wijzen, Hij weet hoe waardeloos ze zijn.

Laat daarom niemand zijn heil zoeken bij mensen. Want alles is het uwe, of het nu Paulus is of Apollos of Kefas, wereld, leven of dood, heden of toekomst, alles is van u, maar gij zijt van Christus en Christus is van God.

Ook hier weer die onmogelijke spreidstand die niet gedacht kan worden – de illusoire wijsheid volgens de opvattingen van deze wereld – maar die enkel geleefd kan worden vanuit wat voor de wereld dwaasheid is.

De Hartsoetra waarschuwt heel terecht: er is geen weg en ook geen inzicht, geen bereiken en geen niet-bereiken. De Hartsoetra dwingt je keer op keer in haar spiegel te kijken en toe te geven: je had je antwoord weer keurig voor mekaar, je wist weer wat, maar wat je dacht te weten, hoort toe aan de zogenaamde wijsheid van de wereld en is dus waardeloos. Ga jij maar terug naar je bankje en begin helemaal overnieuw: hoe eindeloos het pad van ontwaken ook is, ik ga daarvan de belichaming aan (de gelofte van de bodhisattva). Als de zenweg grote inzet, grote toewijding en groot geloof vereist, dan ligt daar de reden. Sta toe dat het leven elke keer opnieuw je bescheiden inzichtjes, je kleine verlichtingen, je vriendelijke vormen van zelfbedrog uit handen slaat. De weg is eindeloos: je kunt die enkel ondernemen met de geest van de beginner die elke stap opnieuw zet alsof de reis met deze stap begint. Is dat erg? Tja, hoe minder bagage je meezeult, hoe makkelijker de tocht stapt; hoe lager het gewicht, hoe verder de reis. Niet dat het helpt het troost wel. Misschien dat volgend verhaal dit verheldert:

Een zenmeester en een van zijn beste leerlingen keerden laat op de avond terug naar hun klooster in de bergen. Ze liepen over een verraderlijk bergpad toen er plotseling een ferme winterstorm opstak. Als ze stil bleven staan, zouden ze omkomen door kou en ontbering; als ze doorliepen, liepen ze het risico van het glibberige pad af te vallen, wat ze zeker niet zouden overleven.

Het enige licht waarmee ze zo nu en dan de juiste richting konden bepalen, kwam van het schijnsel van de bliksemflitsen op hun pad. Door de gierende windstoten en bijtende ijsregen bewogen ze zich langzaam voort.

Telkens ze bang waren verdwaald te zijn, wachtten ze op de volgende bliksemflits en onthielden dan hoe het pad verder liep aan de hand van het beeld dat zich achter hun ogen vastzette.

Tenslotte bereikten ze het klooster. Terwijl ze zich afdroogden en in de keuken een late avondmaaltijd gebruikten, bekende de leerling aan de meester dat zijn grootste angst was geweest te zullen sterven zonder de verlichting bereikt te hebben.

‘Verlichting,’ vertrouwde de meester hem toe, ‘is niet de zon die de hele dag door schijnt, maar de bliksem die je hier en daar een vluchtige blik gunt – zodat je je weg kunt zoeken van het ene moeilijke punt naar het andere.’ ‘Geldt dat ook voor u, meester?’ vroeg de leerling. ‘Dat geldt voor de meesten van ons,’ fluisterde de meester. (Richard McLean, Zen fabels voor een moderne tijd).

Niets is blijvend, niets blijft gelijk, een lichtflits verlicht geen eeuwigheid (en toch weer wel) en er is geen plek waar je je overvolle hoofd met al je zuurverdiende inzichten neer kunt leggen. Het evangelie zegt het zo: 'De vossen hebben holen en de vogels van de lucht hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plaats om zijn hoofd neer te leggen’ (Matteüs 8:20). Ik besluit graag met een citaat dat de onorthodoxe zenleraar R.H. Blyth aan deze tegelijk verdrietige en troostende woorden wijdde

Stuurloos op de oceaan van leven voor een paar jaar, daarna duisternis en stilte.

Zelfs het oorkussen waarop wij het vermoeide hoofd te rusten leggen, vervalt snel tot stof;

het hoofd krijgt rimpels en gaat teloor in de mooist denkbare sluimer.

Zo is het en zo is het goed.

Onze zielen zijn niet van ons, laat staan onze hoofden.

We bezitten niets. Er is niets om te bezitten en niemand die het kan bezitten.

Als we dit realiseren, niet als zomaar een doctrine maar in alles wat wij instinctief doen

dan hebben wij ons hol, dan hebben wij ons nest.

Dan is ons hoofdeloos bestaan te rusten gelegd op dat niet bestaande hoofdkussen.

 

Terug naar Home