Elke dag is een goede dag

opgedragen aan Sabine Gooris, overgegaan in het grote licht op 14 januari 2026

Elke stap is mijn thuis

Stappend door dit dromerige, illusoire rijk,

Zonder te zoeken naar de sporen die ik misschien heb achtergelaten;

Het lied van de koekoek roept me terug naar huis,

Als ik dit hoor, til ik het hoofd op om uit te kijken

naar wie mij gezegd heeft om om te keren;

Maar vraag me niet waar ik heen ga,

Terwijl ik reis in deze wereld zonder grenzen,

Waar elke stap die ik zet, mijn thuis is. ~ Eihei Dogen

In deze tiende en laatste teisho van het werkingsjaar 2025/2026 zijn wij aangekomen bij het einde van onze verkenning van het jaarthema, ontleend aan Dogen's 'Stop, keer het licht om en belicht de oorsprong'. Wij zijn bij tal van zaken stil blijven staan en we hebben geprobeerd ze van binnenuit te belichten naar vorm en betekenis. De zenweg staat evenwel in het teken van niet-weten en je weet wat ze zeggen: teveel uitleg bederft zelfs de beste grap. Elke formele meditatieperiode eindigt, elke sesshin eindigt maar de praktijk eindigt nooit. Vandaar het bovenstaande vers van Dogen. Hij staat op uit 'stoppen en het licht omkeren' en beweegt weer maar niet alleen hij is veranderd, ook deze droomgelijke wereld van illusies verschijnt in een nieuw licht: vredevol, vriendelijk, grenzeloos, waardevol, een wereld die zich rond elke stap die hij zet, formeert als thuis. Wat houden we over als we alles hebben weggedaan? Wat blijft op de bodem van de zeef nadat we die honderden keren hebben uitgespoeld? De vraag stellen is ze beantwoorden. En vermits dat antwoord voor iedereen anders is, zal ik proberen te duiden welke goudklompjes op mijn goudzoekerszeef zijn blijven liggen.

Lang zitten en moe worden

Mijn zenleraar Ton Lathouwers vertelde graag het verhaal van 'Puk en Muk op reis naar China', een kinderverhaal van Annie M.G. Schmidt dat voor hem al heel vroeg maar op een rare manier grote levensvragen vertolkte. Hij vertelde het vaak lachend en dat maakte dat maar weinig toehoorders het serieus namen. Toch is het essentieel een verhaal over de zendiscipline: Puk en Muk drijven na een schipbreuk van het schip van de zeerovers die hen gevangen namen, een tijdje op zee tot er een visser komt die hen ziet en hen redt. Hij neemt hen mee naar een eiland. Op het midden van het eiland staan bananen- en kokosnootbomen en er is een bron met zoet water. De visser is een schat van een man, een soort zenmeester. Hij geeft hen steeds instructies, want Puk en Muk kennen de afgronden en de kloven niet, ze kennen de gevaren en de mogelijkheden niet. En de visser zegt steeds: doe dat nou maar en dan lukt het Puk en Muk weer.

Op een dag zegt de visser: ik heb een klusje voor jullie. Willen jullie deze mand even vullen met zeewater. Ben je nou helemaal? Een gevlochten mand vullen met zeewater? Dat kan niet. De visser vraagt het opnieuw: wil je deze mand vullen met zeewater? Je mag niet terugkomen voordat die mand vol is. Puk en Muk kijken elkaar aan en weten zich geen raad, maar gaan uiteindelijk toch naar de zee. Ze proberen van alles om die mand vol te krijgen: de handen erop houden, heel snel teruglopen, maar niets werkt. Ze worden wanhopig en zien het niet meer zitten, ze beginnen te vloeken en willen het opgeven. Maar ze mogen niet terugkomen zonder volle mand. Als het donker is geworden, komen ze terug met een lege mand, heel beschaamd. Ze durven niets te zeggen. De visser kijkt hen aan, kijkt dan naar de mand en zegt: geweldig, dat is precies wat moest gebeuren. Nu is die mand totaal schoon. Als ik gezegd zou hebben: ga die mand even schoonmaken, dan hadden jullie hem één keer door het water gehaald. Maar dan was hij niet schoon geweest; nu is hij zo schoon als nooit tevoren.

Dit is een verhaal over onze discipline. We denken allemaal wel eens: waar ben ik mee bezig? Kan ik dit niet beter opgeven, waar doe ik het voor, heeft dit überhaupt wel een doel? Ben ik nou een beter mens geworden, rustiger, beter bestand tegen de stormen van het leven? Het leven lijkt helderder als je een doel hebt: verlichting, ontwaken, vrede, wellness, je goed voelen, beter in je vel zitten, beter functioneren enzovoorts. Nee. Op de vraag: wat is zitten in zen, antwoordde een beroemde zenmeester: lang zitten en moe worden. Wat wij doen, is afkicken, net als Puk en Muk. We doen dit omdat we denken - of graag willen - dat het ergens toe leidt. Maar waar het om gaat, kúnnen we niet weten, niet zien, niet vermoeden, niet naar streven. Waar het om gaat, gebeurt als door een wonder. Puk en Muk blijven trouw aan hun discipline door steeds maar te proberen die mand te vullen. Je hoeft het niet te voelen, je hoeft geen resultaten te zien, maar je gaat door. Wij, in ons kleine universum, met onze kleine praktijk gaan door. En niet alleen met onze praktijk, hier of elders, maar ook in ons gewone dagelijkse leven. En Ton Lathouwers besloot zijn verhaal graag met een citaat van de Amerikaanse zwarte schrijfster Ntozake Shange: you are the answer to my prayers, but you are not what I prayed for all my life. Zelf ben ik altijd gefrappeerd door de titel van een werk van de Amerikaanse zenleraar Brad Warner: There Is No God And He Is Always With You, A Search for God in Odd Places. Wat wij ontdekken, is nooit wat we verwachten. Het komt uit een andere hoek. Lang zitten en moe worden en denken dat alles mislukt is en dan een ommekeer voelen waar je geen naam voor hebt. Ton: 'U moet dat laatste niet zien als iets spectaculairs. Spectaculaire zenverhalen zijn er genoeg, maar ik heb het over doodgewone dingen in het leven.'

Zazen heeft geen doel en dient nergens voor

De Japanse zenmeester Kodo Sawaki gaat in dezelfde zin door: zazen niet bedoeld is om verlichting te bereiken. Het wordt niet gedaan om iets te worden. Zazen is nergens goed voor. Het is nergens goed voor, en toch is de houding van zazen het nobelste wat een menselijk lichaam kan doen. Die zazen zelf is de houding van het in overeenstemming zijn met de werking van het universum. Ik citeer graag Kodo Sawaki in dit verband:

Zazen zitten is de nobelste houding die een mens kan aannemen. Het is het meest majestueuze, het meest indrukwekkende. Waarom is zazen zo majestueus? Omdat het universum zelf majestueus is. Met andere woorden, de werking van het universum is majestueus. En zazen is precies dit lichaam dat daar in overeenstemming mee vibreert. Aangezien dit lichaam in harmonie is gebracht met iets zo groots en majestueus, is het alleen maar logisch dat zazen zelf majestueus is. En dus, voor een mens om zazen te kunnen zitten—er is niets mooier dan dat.

Als men zijn eigen geest grondig realiseert, is er geen plek die niet zelf is. Niets wat niet jezelf is. Hemel en aarde delen dezelfde wortel; de tienduizend dingen zijn één lichaam. Vanaf het allereerste begin zijn er geen voelende wezens op de grote aarde. Ik en alle voelende wezens, het gras en de bomen, de landen en landen zelf—allen realiseren het Boeddhaschap. Hemel en aarde vullen volledig, er is slechts deze ene zazen. Afgezien daarvan is er helemaal niets. Dit is zazen.

Elk leven is compleet maar soms is het onmogelijk om het zo te zien. Het leven geeft ons wat het ons geeft, zonder rekening te houden met wat we willen, met ons geloof naar godsvrucht en vermogen, met onze vriendelijkheid, onze liefde. Wij zijn onderweg met alle anderen, maar er is niemand die ons kan beschermen, niets dat we definitief verwerven of vast kunnen houden. Wij vallen door de rastergaten in de zeef van Puk en Muk en met ons vallen het zonlicht en de regen en de tranen en de sterren door de zeef, valt alles in volslagen intimiteit. Het is tegelijk hopeloos en oneindig hoopvol. Sorry, ik kan het niet beter zeggen dan met een gedicht van Mary Oliver: What the body says

 

Ik ben hier geboren en

ik hoor hier,

en ik zal nooit weggaan. De grijze schaduw

van de blauwe reiger zal

 

jarenlang over me heen stromen

en de wind zal beslissen over alle richtingen

totdat ik veilig ben en helemaal

iets anders.

 

Ik bedenk dat deze winterochtend

terwijl ik bij het vuur zit

en het vuur in zijn roodgloeiend rooster

blijft zingen

zijn knetterende lied van verandering.

 

Natuurlijk

vraag ik me af

wat het mysterie is

 

Dat is vast daarboven in de ruimte vol sterren

en hoe een deel van mij

daar uiteindelijk naartoe zal gaan.

 

Maar ik heb het nu over de manier

waarop het lichaam spreekt,

en de wind,

die vastberaden en liefdevol blijft zeggen:

 

Nog een tijdje en dan zal dit lichaam steen zijn;

Dan is het water;

Dan is het lucht.

 

Verwelkomen

Een student vroeg: "Wanneer tijden van grote moeilijkheden ons bezoeken, hoe moeten we ze dan ontmoeten?" De leraar zei: "Verwelkom ze."

Wie echt de werkelijke wereld wilt ontmoeten, kan niet voorbij aan de vaststelling dat ons leven vol verlies zit. Diegenen waarvan ik hield, zijn gestorven, ikzelf zal sterven, op plaatsen ver van mij sterven kinderen zonder geleefd te hebben. Tegelijk is er het lied van de koekoek dat mij terugroept naar een niet langer bestaande thuis, tegelijk is er de weg die zich vriendelijk aanvleit tegen mijn voet en mij woordenloos maar aardig verwelkomt. Ik hoef niets te doen om alles welkom te heten; alles dient zich geheel op eigen ritme aan uit de leegte en keert terug tot de leegte. Ik kan niets oproepen, ik kan niets tegenhouden. Als de verdwijnende dingen achterom kijken, zullen zij als Euridicee ter plekke verstijven. Ik kan hen hoogstens mijn welkom onthouden, mij terugtrekken in een levensloze plek van voorkeuren en afwijzigingen. Maar dan doe ik mezelf tekort, vermijd ik de verbinding aan te gaan die mij in weerloosheid wordt aangeboden. Dat is de essentie van de boddhissatva gelofte: wij zitten er samen in en met mij zullen allen ontwaken. Pattitya samud paddha: het pad van er te samen uit. Het moderne levensgevoel houdt ons dat wij ons moeten wapenen, dat wij gebruik te maken van de ander, door die te objectiveren tot een pion in ons verhaal. Maar het pad van de boddhissatva nodigt ons uit ons hart te openen, om die funcdamentele openheid in ons hart te voelen. Moeilijkheden verwelkomen, de ander die altijd moeilijk is verwelkomen in ons hart, blijft moeilijk maar het is de enige plek waar wonderen gebeuren. Verwelkomen vereist inzet maar hoeft niet verdiend te worden. Verwelkomen vereist ontvankelijkheid, een soort vrolijke onverschilligheid van wat ik daar nu allemaal zelf van vind. Want mijn geest vult zich met gedachten, met voorkeuren en afkeuren zonder dat ik daar veel aan te zeggen heb. Ik ken enkel kijken en ze vrolijk negeren. En hopelijk kan ik met de dichteres Mary Oliver in het gedicht 'Wanneer de Dood' terugkijken op een geleefd leven en vooruitkijken naar een dood die even onbegrijpelijk is als het leven:

 

Als de dood komt

zoals de hongerige beer in de herfst;

wanneer de dood komt en

alle felle munten uit zijn portemonnee haalt

om me te kopen, en klapt de beurs dicht;

 

Wanneer de dood komt

zoals de mazelen;

Wanneer de dood komt

als een ijsschots tussen de schouderbladen,

 

Ik wil vol nieuwsgierigheid door de deur stappen en me afvragen:

Hoe zal het zijn, dat huisje van de duisternis?

 

En daarom zie ik alles

als een broederschap en een zusterbond,

en ik zie tijd als niet meer dan een idee,

en ik beschouw de eeuwigheid als een andere mogelijkheid,

 

en ik zie elk leven als een bloem, al net zo gewoon

als een madeliefje in het gras, en al net zo uniek,

En elke naam een genoeglijke muziek in de mond

die zoals alle muziek doet, naar stilte neigt,

 

en elk lichaam een leeuw van moed, en iets

Kostbaar voor de aarde.

Als het voorbij is, wil ik zeggen: mijn hele leven

was ik een bruid die getrouwd was met verbazing.

Ik was de bruidegom, die de wereld in mijn armen nam.

Als het voorbij is, hoef ik me niet af te vragen

of ik van mijn leven iets bijzonders en echts heb gemaakt.

Ik wil niet dat ik zucht en bang zijn,

Of vol discussie.

Ik wil niet eindigen als iemand

die gewoon deze wereld bezocht heeft

 

Verwelkomen betekent daarom aandacht te hebben, te luisteren naar de oproep die opklinkt vanuit de leegte. En dat kan zeer ver gaan. De Joodse schrijfster Etty Hillesum koos ervoor in solidariteit met haar joodse volk om niet te ontsnappen aan het transport naar Westerbork en later naar Auschwitz waar ze vergast zou worden. Op 3 juli 1942 beschrijft ze:

Ik werk en leef door met dezelfde overtuiging en vind het leven zinrijk, tóch zinrijk, al durf ik dat nauwelijks meer in gezelschap te zeggen. Het leven en het sterven, het lijden en de vreugde, de blaren aan de kapotgelopen voeten en de jasmijn achter mijn tuin, de vervolgingen, de ontelbare zinloze wreedheden, alles en alles, het is in me als één krachtig geheel en ik aanvaard alles als één geheel en begin steeds beter te begrijpen, zomaar voor mezelf, zonder dat ik het nog aan iemand zou kunnen uitleggen, hoe het in elkaar zit. Ik zou lang willen leven om het later allemaal toch nog eens te kunnen uitleggen en als me dat niet vergund is, welnu dan zal een ander het doen en dan zal een ander mijn leven verder leven, daar waar het mijne is afgebroken en daarom moet ik het zo goed en zo volledig en zo overtuigd mogelijk leven tot de laatste ademtocht, zodat diegenen die na mij komt niet helemaal opnieuw hoeft te beginnen en het niet meer zo moeilijk heeft. Is dat ook niet iets doen voor het nageslacht?

Intimiteit

Wat moet ik doen? Hoe moet ik mijn leven leiden? Wat vraagt het leven van mij? Zoveel vragen, terwijl het beste antwoord zich voor de ontvankelijke ziel zich aandient vanuit de leegte, vanuit niet-weten. Wat je moet doen is méé vibreren met de grondtoon van alles, je afstemmen op datgene wat de realiteit van je vraagt. Van de maagd Maria wordt gezegd dat ze vol van genade is: wanneer haar het onmogelijke wordt gevraagd - ga maar na, een ongehuwd meisje zonder man dat de moeder Gods zal worden - zegt zij na een aanvankelijke lichte aarzeling: ziehier de dienstmaagd des Heren, mij geschiedde naar uw woord (Lucas 1, 38). Niet mijn wil maar uw wil geschiede: wat de tienduizend dingen van ons vragen, is duidelijk voor wie aandachtig luistert en méé vibreert, afgestemd op de muziek der sferen die pure grenzeloosheid is. En laat net die grenzenloosheid de essentie zijn van de Hart Sutra. Wat in de klassieke versie van de Hart Sutra 'leegte' ('sunyatta') heet, een begrip dat licht verkeerd verstaan kan worden, kan wellicht beter vertaald worden als 'grenzenloosheid', 'oneindige mogelijkheid'.

Toegegeven: de Hartsutra in haar klassieke versie heeft iets van de onontkoombare hardheid van diamant. Misschien daarom heeft Thich Nhat Anh een vriendelijker versie gemaakt die wat ze verliest aan diepgang, wint aan ruimtelijkheid en toegankelijkheid.

 

Toen het Hart van Compassie door de poort van wijsheid liep, keek zij in het lichaam van de wereld en van ieder van ons, en zag dat ieder van ons en de wereld zelf grenzeloos is. En hiermee verdween al het lijden.

 

Lieve mensen, alle dingen zijn grenzeloos; het grenzeloze is niets anders dan alle dingen. Alles is in zichzelf grenzeloos; grenzeloosheid is alle dingen. Dit geldt voor onze lichamen, gevoelens, ervaringen, waarnemingen en het bewustzijn zelf.

 

Lieve mensen, de essentie van het universum is grenzeloos. Het wordt niet geboren; het sterft niet. Het is niet onzuiver, noch is het zuiver. Het neemt niet toe en neemt niet af. En zo zijn er binnen grenzeloosheid geen zintuigen, geen objecten om waar te nemen, en geen veld van ervaring; geen onwetendheid en dus geen einde aan onwetendheid; geen ouderdom en dood en dus geen einde aan ouderdom en dood. Er is geen lijden, geen oorzaken van lijden; en dus geen pad om te volgen en geen wijsheid om te bereiken.

 

Door deze grenzeloosheid te begrijpen, is degene met een zuiver hart vrij. Zonder verstrikkingen is de ware persoon van de Weg niet bang.

 

Dit is de zuivere en onovertroffen Weg. Alle wijzen uit verleden, heden en toekomst bereiken deze waarheid en vinden vrijheid. En zo wordt de waarheid ervan de grote mantra, verheven en onovertroffen; ze neemt al het lijden weg.

 

Gegaan, gegaan, voorbij gegaan. Volledig voorbij gegaan. Zegeningen en zegeningen!

 

Het wonder van vreugde

C.S. Lewis, auteur van de Narnia kronieken titelde zijn spirituele autobigrafie: "Surprised by Joy" (1955), verrast Verrast door vreugde. Daarin heeft hij het over een ongrijpbaar en schijnbaar door niets veroorzaakt gevoel van diepe vreugde, van belonging, toebehoren, van thuiskomen en thuishoren. Het gevoel gaat dieper dan geluk dat door een herkenbare oorzaak wordt veroorzaakt en door een andere oorzaak weer teloor gaat. Deze vreugde is ten diepste religieus en verbindt met alles en iedereen. Voor de auteur was deze ongrijpbare vreugde de brug die hem van een behoorlijk cynisch atheïsme naar het christendom voerde, een christendom waar hij nog steeds zijn bedenkingen bij had, maar dat naar zijn gevoel ten diepste tegemoet kwam aan de vreugde die hij,, ondanks alles, voelde.

Dat is opmerkeklijk en het doet in zensperspectief denken aan wat Dogen schreef: "Als je je plek vindt waar je bent, vindt oefening plaats." Niets geen zware mystiek maar een helder begrip van wat nu is: geen najagen van een toekomst, geen constante heronderhandeling met het verleden om het te herijken maar gewoon: hier te zijn in de rustige zekerheid dat er niets ontbrengt en dat uit die onbekende bron vreugde stroomt. Zen als thuiskomen in wat is, in de vreugdevolle zekerheid dat elke dag een goede dag is. Net als zoveel anderen heb ik op deze weg gezocht naar dramatische gebeurtenissen, verlichtingservaringen met een heel orkest op de achtergrond en een klank- en lichtspel van waar heb ik je nou. Maar de vreugde viel direct te ervaren in de compleet andere richting: een rustig thuis zijn in de werkelijkheid, niets bijzonders, 'alle dagen zen' (Joko Beck). Als je ophoudt tegen de realiteit in te vechten, komt ze je tegemoet en verwelkomt ze je als een verloren zoon die het geluk in verre streken zocht waar het uiteindelijk nooit te vinden was. Geen gouden pot aan het einde van de regenboog maar de rustige, op niets berustende vreugde van de dingen in al hun argeloze schoonheid. De Chinese leek P'ang (8ste eeuw) schreef het zo op:

In mijn dagelijks leven is er niets anders dan wat me telkens vanzelf ten deel valt.

Niets nemend, niets afwijzend bestaat er voor mij geen hindernis, geen scheiding.

Ik heb geen ander feestgewaad dan de stralende helderheid van de blauwe bergen.

Mijn wonderbaarlijke magische kracht ligt in het water halen en hout hakken.

Water halen en hout hakken als wonderbaarlijke magische kracht. Het lijkt niets maar layman P'ang gaat wel gekleed in de stralende helderheid van de blauwe bergen, een aankleding waar zelfs de grootste keizer niet van kan dromen. Kijk naar de vogels in de lucht: zij zaaien niet en maaien niet, en verzamelen niet in schuren; uw hemelse Vader voedt ze evenwel; gaat u hen niet verre te boven? ... En wat bent u bezorgd over wat gij zult dragen? Kijk naar de lelies in het veld, hoe ze groeien; ze werken niet en spinnen niet; en Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze. Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag is en morgen in de oven geworpen wordt, reeds zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen? (Mattheus 6, 26).

Voor mij blijven deze alledaagse dingen intiem verbonden met de oefening van kinhin: traag, bewust, voet voor voet, deze aarde te mogen betreden, gedragen te worden, de richting die zichzelf wijst, de hoek die heel bewust aangesneden wordt. Thich Nhat Anh die een heel groot aanhanger was van lange stap- en wandelmeditatie, bezwoer zijn leringen te lopen 'alsof elke stap de aarde kust', in de stellige zekerheid dat je hier en nu loopt op het Zuivere Land .

Als alles de inhoud van dit Zelf is, ook mijn kleine ego, dan groeit van daaruit de enige mogelijke ware empathie. Zolang 'ik' zorg draag voor de natuur, blijven natuur en ik gescheiden. Het gaat een keertje goed, het gaat een keertje fout en de verliezers zijn bekend. Maar zodra ik traag stappend, van binnenuit de natuur, de bomen, bloemen, de struiken, de modder, … insluit als wat ze tegelijk ook zijn: de onvervalste inhouden van mijn ik, dan is mijn zorg voor het andere essentieel ook zelfzorg. Wij zijn geen eenzame, afgescheiden individuen, opgesloten in een met niemand écht te delen biografie. Wij zijn een fundamentele openheid met alles en naar alles. En dat brengt ons bij het uiteindelijke, oneindige perspectief van de 4 geloften:

 

Shu jo mu hen sei gan do

bon no mu jin sei gan dan

ho mon mu ryo sei gan gaku

Butsu do mu jo sei gan jo

 

In de vertaling van Ton Lathouwers klinkt dat zo:

Hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof ze alle te bevrijden.

Hoe onpeilbaar de oorzaak van lijden ook is, ik beloof die geheel te verwijderen.

Hoe talloos de poortloze poorten ook zijn, ik beloof ze binnen te gaan.

Hoe oneindig het pad van ontwaken ook is, ik ga daarvan de belichaming aan.

 

De geloften zijn allereerst intenties die onze energie bundelen, ons levensontwerp vorm geven, het een eigen klank en kleur verlenen. Elke keer dat wij ze reciteren, voeden wij deze geloften en hun achterliggende engagement. Onze ernst, ons geloof, onze inzet maken dat die geloften steeds dieper door het leven boren, steeds vaster wortel krijgen. De zenmeester Taitaku daarover: 'Stel je een vastomlijnd project voor. Dat heeft een begin, een midden en een einde. Maar de boddhisvattva-geloften zijn onmetelijk. De intentie waartoe wij ons engageren, de inzet die wij opbrengen, roepen deze geloften op en tillen ons op tot buiten de grenzen van onze persoonlijke identiteiten.' De geloften zijn essentieel oneindig, principieel onmogelijk te realiseren en toch weer wel.

De eerste gelofte is meteen ook de belangrijkste. Het Mahayana boeddhisme heet niet toevallig het Grote Voertuig. Inzet is immers om te ontwaken tot bevrijding van alle levende wezens. Het ingaan tot het Nirvana, inzet van het Theravada-boeddhisme, wordt uitgesteld tot iedereen en alles in alle werelden diezelfde bevrijding heeft ervaren. Die eerste gelofte is geen ethisch engagement maar een grenzeloos groot verlangen dat iedereen bevrijd mag zijn. Niet in een toekomstige wereld, niet in een hemel 'hereafter' maar hier en nu. Als er verlangen is, laat het dan meteen absoluut zijn, alles omvattend, allen omvattend. Of zoals de Dalai Lama dagelijks de gelofte aflegt opnieuw en opnieuw herboren te mogen worden tot het lijden in het wereld is opgehouden, tot er geen tranen meer zijn, geen troost meer nodig is. Of zoals Jezus het zei: 'Ik zal met u zijn tot aan de voleinding der tijden.' (Mt. 28,20).

De tweede gelofte spreekt voor zichzelf. Maar let u vooral op de formulering van de derde: daar staat niet, zoals je zou verwachten 'alle poortloze poorten te zullen binnengaan'. Neen, daar ligt het accent op het binnengaan van zelfs één enkele poort. Elke seconde staan wij voor een ogenschijnlijk gesloten poort en aarzelen we ze binnen te gaan. Om het meteen even heel dramatisch te maken: stel dat je met een hardnekkige hoest bij de dokter gaat en die constateert op basis van een röntgenfoto: helaas, ik moet u meedelen dat dit longkanker is. Ga daar maar eens aan staan. Alles in je verzet er zich tegen deze poortloze poort in te gaan en toch zul je dat doen.

Nog even tot slot over de vierde gelofte: de gelofte die het zo duidelijk heeft over 'belichaming', 'embodiment'. Zenmeester Aitken: Het is onze stellige gelofte het Achtvoudige Pad te gaan met dezelfde ernst, aandacht en adel van geest als de Boeddha zelf. Dit Pad begin met het belang van het Juiste Inzicht: het inzicht in het ontbreken van enige blijvendheid in het zelf en alle dingen, inzicht in de ingeboren harmonie van het universele organisme, inzicht in de unieke aard van elke individu. Dit inzicht wordt vervolgens belichaamd in onze gedachten, woorden, gedrag, ons werk, onze levensstijl, onze inkeer naar binnen en onze meditatie.' Dat is embodiment: niks geen vrijblijvende oefening, niets geen dromen van grote verlichtingservaringen maar het gewone werk van alledag.

 

Terug naar Home