Buigen

Nieuwkomers op de zenweg hebben het vaak moeilijk met de frequentie en het soort rituele buigen vóór het betreden van de zendo, voor het plaatsnemen op het kussen of bankje, bij het einde van een zitperiode enz. De uiterlijke vorm van deze buigingen doet ze, zeker voor de mensen met een christelijke achtergrond, toch iets te veel aan de godsdienst van hun jeugd denken.

Voor de zentraditie, net trouwens als voor elke boeddhistische traditie, is dit buigen evenwel heel belangrijk. Dogen, de Japanse zenleraar aan wie wij het thema van dit werkjaar ontlenen, stelde onomwonden: zolang er ware buiging is, zal de Boeddhaweg niet achteruitgaan. Meer zelfs, hij stelde dat het buigen zelf de uitdrukking van ontwaken is, de diepste essentie van de Weg, vertaald, belichaamd in een handeling die met de grootst mogelijke aandacht verdient uitgevoerd worden.

De subtiele vitaliteit van de buiging wordt vertolkt door de uitvoering ervan met hart en ziel (‘Wholehearted exertion with genuine intent and complete dedication'). Dat ligt uiteraard in het verlengde van wat Dogen zegt over shikantaza, het zo zitten in zazen: de praktijk zelf ís de verlichting, er is geen andere verlichting dan de praktijk.

Daarom willen wij aandacht besteden aan de uiterlijke vorm maar vooral aan de innerlijke 'gestalte' van de buiging.

Historisch zou de buiging en haar belang kunnen teruggaan op de vroegere metgezellen van de Boeddha, ascetische zwervers en woudmonniken die de wereld en haar geneugten verzaakt hadden en zich van de Boeddha afkeerden toen die een bad nam en een kommetje melk tot zich nam en dan nog aangereikt door een vrouw!

Het verhaal is bekend. De Boeddha gaat na het tevergeefs beproeven van talloze methoden en technieken zitten op een geïmproviseerde kussen van olifantengras en neemt zich voor niet eerder op te staan dan dat hij de verlichting bereikt. Aldus geschiedde: in deze Opperste Grote Verlichting (Sanskriet: anutarra samyak sambodhi) realiseert de Boeddha zich de intieme eenheid, de totale verbondenheid van het hele universum, van zijn onlosmakelijke eenheid met het universum: met mij zijn alle levende wezens verlicht. Wanneer de asceten hun vroegere maar nu afvallige vriend na deze ervaring opnieuw ontmoeten, worden zij diep getroffen door zijn kalme sereniteit en de verlichte uitstraling van zijn persoonlijkheid. Zonder woorden buigen zij diep voor de Boeddha en de bevrijdende ervaring van eenheid die hij had ervaren. Maar het is niet overdreven te denken dat zij, zonder het te weten, ook voor zichzelf bogen en voor alle levende wezens in dit uitgestrekte universum.

Wanneer wij buigen bij het betreden van de zendo, drukt onze buiging de diepe dankbaarheid uit voor de Weg zoals die ook in onze praktijk gestalte krijgt. Deze buiging, ook wel gassho genoemd, realiseren wij door de handen tegen elkaar te plaatsen, palm tegen palm, licht aangedrukt maar niet stijf. De vingers zijn recht en worden tot op zo een handpalmbreedte van de neuspunt gebracht. De ogen zijn, zonder te fixeren, gericht op de toppen van de middelvingers. Wij buigen vanuit het middel tot een hoek van zo een 45°. Dat is het zowat voor wat de uiterlijke gestalte van alvast deze belangrijkste gassho betreft. Er zijn immers ook andere gassho's met o.a. diepe buigingen tot de grond maar die zijn in de optiek van een lekenpraktijk minder belangrijk.

Belangrijk is wel wat deze buiging vertolkt. Vooreerst duidt buigen op het strijken van de vlag van het ego, die zo fier en eigenmachtig wappert van ons hoog gehouden hoofd en ijdele kin. Kijk mij eens, bekijk mij grootte, erken mijn individualiteit. Een oprechte gassho vanuit het hart laat voor een ogenblik die eigenmachtige aanspraken van het ego varen. Dit is geen misplaatste nederigheid maar wij plaatsen de Waarheid boven de gedachten en emoties die wij gewoontegetrouw en onbewust laten samenklonteren tot onze illusie van een soeverein, afgescheiden ik. Wij maken ons klein om ruimte te geven aan onze ware grootsheid, aan ons potentieel, ontvankelijk, alert voor de ruimte waarin wij ons bewegen, sereen ontvankelijk voor de aanwezigheid van onze mede-zwervers op dit oeroude pad.

Impliciet aan de buiging is de belichaming van onze eenheid met de drie Schatten. Die drie Schatten zijn: de Boeddha (in de betekenis van onze ware zelf), de dharma (de 10.000 dingen maar ook de leer over die 10.000 dingen) en de sangha (de gemeenschap van mediterenden maar bij uitbreiding de gemeenzaamheid met alles wat leeft). Buigen is het erkennen van en het ingaan tot ons uiterste potentieel, het maakt open en ontvankelijk.

Die drie Schatten vormen een van de centrale elementen van eerbiedige verering in het boeddhisme maar laat er geen misverstand over bestaan. Dezer drie Schatten zijn niets anders dan onszelf. Ieder van ons ís de Boeddha, de ontwaakte, de aldus gekomene. Alles wat wij zijn in het leven, alles waar wij in aanraking mee komen, ís de werking van die onderliggende verlichting. En die ontzettende verscheidenheid van levende wezens is de alles en iedereen omvattende broederschap van ontwaken.

Laat daarom de houding van het buigen, de houding van het lichaam recht doen aan dit oneindige perspectief: een rechte, open en oprechte houding vertolkt de Weg als breed en uitnodigend, een smalle vertolking maakt het uitzicht op de Weg eng en moeilijk. Op de zenweg is het belangrijk dat wij bij elke activiteit - wachtend rechtstaan, zitten, lopen, buigen, ... - de juiste houding aannemen en volledige aanwezigheid betrachten. Rechtop is allereerst ook oprecht en drukt een helder bewustzijn op. Een rechte rug geeft sterkte om alles op te vangen wat de praktijk op ons afvuurt en een ontvankelijke buik maakt ruimte voor dat alles. Buigen vertokt dus geen valse nederheid, geen bede om gunsten, geen lege culturele gewoonte: buigen vertolkt buigen. Of zoals Dogen het zijn monniken voorhield: laat er in horen alleen het gehoorde zijn, laat er in het zien alleen het geziene zijn. Met een parafrase: laat er in het buigen alleen het buigen zijn.

Wij buigen naar het lege midden, vóór wij plaats gaan nemen aan de buitenbaan van ons leven. Wij buigen naar de Tathagathagarbha, de leegte als baarmoeder van de Boeddha's die wij zijn. Wij buigen om ons open te stellen voor de leer, voor de praktijk en wat die ons, in alle stilte, geeft en leert. Wij buigen, niet omdat wij uit zijn op een resultaat maar het buigen is waardevol door de inspanning zelf.

Een speciale vertolking van het buigen komt aan het einde van elke zitperiode wanneer wij, nog steeds zittend, buigen vanuit het middel en de handen, met de handpalmen naar boven, enkele centimeter boven de grond tillen. In essentie gaat deze houding terug op een traditioneel Indiaas teken van respect. Wij handhaven evenwel deze buigbeweging omdat wij alle verdienste die ons zitten zou kunnen hebben, opdragen ter bevrijding van alle levende wezens. Wij houden geen verdienste voor ons maar leggen ze op onze lege handen vanwaar ze kan uitwaaien tot alles wat leeft. Ikzelf laat deze kleine, bijna intieme buiging altijd vergezeld gaan door een kleine gatha (kort vers, dat helpt de bewuste aandacht te bundelen/te handhaven): wat de verdienste van dit zitten ook moge zijn, ik draag ze op ter bevrijding van alle levende wezens. Of zoals het luidt in dat lied van Herman Van Veen:

 

 

 

Alles wat ik weet,

weet ik van een ander

en alles wat ik laat,

laat ik voor een ander

alles wat ik heb, is alleen in naam

en die heb ik van een ander

....

Alles wat ik zeg,

zeg ik aan een ander

en alles wat ik geef,

geef ik aan een ander

alles wat ik heb, is alleen in naam

en die heb ik van een ander.

 

De hand die ik geef,

geef ik aan een ander

en de tranen die ik laat, huil ik om een ander

de zin die ik heb, heb ik in een ander

en de liefde die ik voel,

is voor een ander.

Alleen m'n kippevel is van mezelf.

Terug naar Home